Jaarverslag 2012 van de kerkelijke opvangpunten in Belgie

Naamloos-4Jaarverslag 2012 van de kerkelijke opvangpunten

voor seksueel misbruik van minderjarigen in een pastorale relatie

opgesteld door de

Interdiocesane Commissie voor de Bescherming van Kinderen en Jongeren

Met de brochure Verborgen verdriet. Naar een globale aanpak van seksueel misbruik in de Kerk (januari 2012) engageerden de bisschoppen en hogere oversten van België zich om op een passende wijze tegemoet te komen aan de vraag van minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik in een pastorale relatie. Twee wegen werden daarvoor geopend.  Enerzijds de weg van de arbitrage, uitgewerkt door de Parlementaire Commissie.   Anderzijds de weg van de opvangpunten, uitgewerkt door de bisdommen en de religieuze congregaties. Vele slachtoffers hebben hun vertrouwen gesteld in de arbitrageprocedure. Het Wetenschappelijke Comité van het Centrum voor Arbitrage stelde op 4 maart 2013 zijn jaarverslag  2012 voor.  Andere slachtoffers hebben zich gewend tot de opvangpunten.

Met hun  jaarverslag 2012 willen de bisschoppen en hogere oversten informatie geven over de meldingen van seksueel misbruik die langs de opvangpunten zijn verlopen en hoe ermee is  omgegaan.  Beide activiteitenverslagen, die van het Centrum voor Arbitrage en die van de opvangpunten van de Kerk, vullen elkaar dus aan.

  1. 1.          Inzicht en besef

Lange tijd heeft de maatschappij niet gezien of beseft dat seksueel misbruik van kinderen en jongeren die zich in een afhankelijkheidsrelatie bevinden een vorm van machtsmisbruik is, en dus een misdaad. Of leefde er toch een zeker besef, en was dit de reden dat het in het verborgene gebeurde of dat het in de doofpot werd gestopt? Het minste dat men kan zeggen, is dat uit alles blijkt dat men in alle geledingen van de samenleving de omvang en de ernst van het probleem schromelijk heeft onderschat. Hierdoor werden slachtoffers ondersteuning en begrip onthouden, daders ongemoeid gelaten en werd veel leed toegevoegd aan mensen die door deze misdaden al zwaar werden geraakt.

Waarom nu deze rapportering? De transparante rapportering over de problematiek, die via de door de Kerk opgerichte opvangpunten aan de oppervlakte is gekomen, heeft als bedoeling het verleden niet zomaar toe te dekken. De schandalen die de laatste jaren aan het licht zijn gekomen, zijn geen geïsoleerde feiten maar hebben zich in alle sectoren van de samenleving en in alle landen van de ‘beschaafde’ wereld voorgedaan. De ogen hiervoor sluiten en doen alsof het allemaal niet zo erg is geweest, is het negeren van onrecht. De problematiek moet in zijn volle omvang aan het licht worden gebracht. Dat is de enige manier om onrecht te herstellen en herhaling in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee kan misschien ‘onrecht uit het verleden’ worden omgezet in ‘recht voor de toekomst’.

Het collectieve zwijgen en verzwijgen in het verleden heeft een soort duizeligheid bij slachtoffers teweeggebracht. De ontkenning van anderen was soms bijna erger dan het oorspronkelijke misdrijf. Als de autoriteiten slachtoffers niet geloven, als omstanders datgene tegenspreken waarvan ze niet kunnen verdragen het te weten, beroven ze slachtoffers van een normaal bestaan. Hun gevoelens van gekwetst en getraumatiseerd zijn moesten worden weggeduwd, maar daarmee zijn ze niet verdwenen. Hun lijf draagt de scherven.

Heeft men niet al te veel de slachtoffers geleerd om niet te voelen. Het begon vaak met wat stoeien, onschuldig in de ogen van nietsvermoedende slachtoffers, maar doelgericht in de geest van daders, wat dan heel geleidelijk overging in het overschrijden van grenzen. Soms werd dit door de kinderen en de jongeren niet als dusdanig opgemerkt en aangevoeld, omdat ze zich daaraan helemaal niet hadden verwacht in de relatie met de dader, die vaak tot de kring van de vertrouwenspersonen van de familie behoorde. Soms was hij een persoon met gezag bekleed waarnaar ze opkeken, soms een vriend van de familie, de priester die het huwelijk van de ouders had ingezegend en de kinderen had gedoopt.

Daders, omstanders en slachtoffers hebben vaak samengespannen in ontkenning of vergeten en aldus het misbruik kansen gegeven voor herhaling. Voor het slachtoffer begint dan het leven opnieuw, maar in dat nieuwe leven kan hij niet langer vertrouwen op zijn zintuigen. Er schijnt iets te zijn gebeurd, maar wat? De grond zinkt onder zijn voeten weg. Dit is de alchemie van de ontkenning: woede en pijn worden vervangen door vage schaamte. Het slachtoffer gaat zich afvragen: wat heb ik gedaan? Hij gaat denken: ik moet iets slechts hebben gedaan. Uiteindelijk zal het slachtoffer dat de ontkenning van anderen heeft ondergaan, zichzelf als een leugenaar gaan beschouwen.

  1. 2.              Opties van de Kerk

Het verleden ongedaan maken is niet mogelijk. We kunnen slechts, in de mate van het mogelijke proberen datgene aan te bieden wat toen het meest ontbrak, in de eerste plaats menselijkheid en solidariteit. Om morele redenen willen de bisschoppen en de hogere oversten van België hun verantwoordelijkheid opnemen tegenover het onrecht dat in het verleden door mensen in een pastorale functie aan kinderen en jongeren werd aangedaan. In dialoog met de slachtoffers zoeken naar de beste manier om hen bij te staan, kan misschien in enige mate leiden tot herstel van het aangedane leed.

Daarom werd gekozen voor een nieuw beleid dat voorgesteld werd in de brochure ‘Verborgen verdriet’ die in januari 2012 werd voorgesteld. Dat beleid bestaat uit zes krachtlijnen en werd door alle bisschoppen en hogere oversten van België onderschreven:

  1. De kant kiezen van het slachtoffer. Dat is in het verleden te weinig gebeurd. Daders waren gezagsfiguren in een onaantastbare positie. Slachtoffers bevonden zich in een kwetsbare positie. Ze dragen het nog steeds mee in de poriën van hun lijf. Elke vorm van relativeren of elke ongelukkige uitspraak wordt als een steen in hun gezicht geslingerd.
  2. De stilte doorbreken. Zwijgen is onaanvaardbaar als spreken kan redden. De kracht van het probleem lag niet alleen in het misbruik, maar in het feit dat het verborgen werd. Dat duwde de slachtoffers in de eenzaamheid.
  3. Erkenning en herstel van het leed dat hen is aangedaan, van de machteloosheid waarin ze zich bevonden, van de stilte waartoe ze werden veroordeeld, van de kwetsuur in hun persoonlijke ontplooiing en van de schade in hun relationele bekwaamheid.
  4. De vorm van herstel wordt bepaald in dialoog met het slachtoffer. Hij moet opnieuw stem en zeggenschap krijgen.
  5. Een rechtmatige aanpak van de daders.
  6. Preventie voor de toekomst.

Om deze krachtlijnen in de praktijk om te zetten, werden er ook zeven structurele maatregelen genomen:

  1. Een netwerk van tien opvangpunten: een per bisdom, een voor de Franstalige en een voor de Nederlandstalige congregaties.
  2. Een centraal infopunt.
  3. Mogelijkheid van verwijzing voor bemiddeling bij neutrale en onafhankelijke instanties onder het beheer van Justitie.
  4. Arbitrage buiten de structuren van de Kerk.
  5. De oprichting van de Stichting Dignity, die ervoor zorgt dat de vergoedingen die worden afgesproken zonder verwijl aan slachtoffers worden uitbetaald en de afspraken worden nagekomen.
  6. Verwijzing naar de normale rechtsgang voor niet-verjaarde feiten.
  7. De oprichting van een Interdiocesane Commissie voor de Bescherming van Kinderen en Jongeren met een zestal opdrachten.

Met deze krachtlijnen en structurele maatregelen willen we proberen om onrecht uit het verleden om te zetten in recht voor de toekomst. Loopt dat nu ideaal? Het is een leerproces. Het blijft werk van mensen voor mensen die in een uiterst moeilijke en kwetsbare positie verkeren. Ze moeten hun verhaal vanuit de diepte waar het is opgeborgen opnieuw bovenhalen. In dit pijnlijke proces kan elke schijn van relativeren, een vraag naar het hoe en wat, een moment van aarzeling of twijfel, de toonaard van het gesprek verkeerd aankomen en kwetsen.

  1. 3.          Waar kunnen slachtoffers terecht? 

Nadat de Interdiocesane Commissie voor de Behandeling van Klachten van Seksueel Misbruik in een Pastorale Relatie onder het voorzitterschap van vertrouwensarts professor dr. Peter Adriaenssens werd ontbonden, was er nood aan een instantie waartoe slachtoffers zich kunnen richten voor erkenning en herstel. Daarvoor werden twee soorten voorzieningen getroffen.

  • Centrum voor Arbitrage

Vanuit de Kerk werd, op vraag van de Parlementaire Commissie betreffende de behandeling van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, inzonderheid binnen de Kerk meegewerkt aan  de oprichting van het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik, dat werd ondergebracht binnen de Koning Boudewijnstichting als neutrale instantie. De arbitrage geldt uitsluitend voor verjaarde feiten waarover rechtbanken geen uitspraak meer kunnen doen. De mogelijkheid om een melding te doen was beperkt in de tijd en werd afgesloten op 31 oktober 2012. In het totaal werden hier 621 vragen ingediend. Een rapport van het eerste jaar werking werd op 4 maart 2013 aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers voorgelegd.

  • Opvangpunten binnen de Kerk

Naast de oprichting van het Centrum voor Arbitrage buiten de structuren van de Kerk wilde de kerkgemeenschap ook zorgen voor de opvang van slachtoffers, via een netwerk van plaatselijke opvangpunten.

Er werden tien opvangpunten opgericht: een voor elk van de acht bisdommen, een voor het geheel van de Nederlandstalige religieuze orden en congregaties (URV) en een voor het geheel van de Franstalige religieuze orden en congregaties (COREB). Vanaf 1 januari 2012 zijn deze opvangpunten operationeel. Daarnaast blijft het centrale infopunt behouden, ten behoeve van wie niet onmiddellijk de weg naar een plaatselijk opvangpunt weet te vinden. Het centrale infopunt oriënteert zoveel mogelijk naar de plaatselijke opvangpunten. In dit rapport wordt uitvoeriger ingegaan op de wijze waarop de opvangpunten binnen de Kerk werken om zo de rapportering van het eerste werkjaar beter te kunnen situeren.

Bij deze opvangpunten kan elke persoon terecht, ongeacht zijn of haar leeftijd, die recent of in het verleden slachtoffer, getuige, dader of verdachte was van seksueel misbruik of grensoverschrijdend seksueel gedrag. Ook slachtoffers die zich al bij de Commissie Adriaenssens hebben gemeld, en aan wiens melding geen gevolg werd gegeven vanwege de gerechtelijke inbeslagname van hun dossier, kunnen hier terecht. De melding kan zowel bepaalde feiten of gedragingen als onderwerp hebben, als de manier waarop bepaalde verantwoordelijken hiermee zijn omgegaan. De melding kan gebeuren voor verjaarde en niet-verjaarde feiten. Ook wie kennis heeft of een redelijk vermoeden van dergelijke feiten, kan bij de opvangpunten terecht.

Melders kunnen verschillende motieven hebben. Sommigen willen uitdrukking geven aan hun ongenoegen over een bepaalde persoon of over de organisatie waarbinnen deze persoon werkzaam is. Melders die geen klacht willen indienen, maar wel gehoord willen worden, krijgen het aanbod van een gesprek met een vertrouwenspersoon. Voor sommige personen en voor bepaalde problemen volstaat een melding. Voor anderen is een melding de eerste stap naar het indienen van een strafrechtelijke klacht of naar het opstarten van een bemiddelingsprocedure of een arbitrage. Daarbij kan al dan niet een vraag naar financiële tegemoetkoming aansluiten.

Laagdrempeligheid, vertrouwelijkheid en veiligheid zijn belangrijke werkingsprincipes. Slachtoffers hebben het niet gemakkelijk om voor het eerst of nog eens te vertellen wat ze hebben meegemaakt. Dat verdient alle respect en zorgvuldigheid. De melding kan dan ook op verschillende manieren gebeuren: een persoonlijk gesprek, telefonisch, per brief of e-mail. Een melder krijgt steeds schriftelijke bevestiging dat men zijn melding heeft ontvangen, per e-mail of in een omslag die vertrouwelijk is en geen verwijzingen naar het opvangpunt bevat. Op deze manier moet het vermoeden van doofpotoperatie vermeden worden. Vertrouwelijkheid is niet gelijk aan verstoppen.

We willen dat de melder weet en voelt dat de melding ernstig wordt genomen en gewaardeerd. De moed om grensoverschrijdend gedrag te melden verdient waardering. Wij zijn ervan overtuigd dat men op deze manier bijdraagt tot een klimaat van grotere integriteit in Kerk en samenleving.

De opvangpunten kunnen een melding informeel en in vertrouwen beluisteren. Ze kunnen een eerste opvang bieden aan de melder en helpen om zijn vraag, indien nodig, te verduidelijken. Ze informeren de melder over de manier waarop de melding verder behandeld zal worden. Ze kunnen advies geven en eventueel eerste hulp bieden op psychologisch, sociaal en juridisch vlak, rekening houdend met de verwachtingen van de melder. Volgens de nood van het individuele slachtoffer zal worden gepolst welke opvang adequaat is en welke vormen van herstel gewenst zijn. Op de eerste plaats moet recht worden gedaan aan hun verhaal, verdriet en pijn.

Er wordt niet alleen gedacht aan het directe slachtoffer zelf. Personen uit de omgeving van het slachtoffer of van de dader die door het misbruik hulp nodig hebben, kunnen er ook terecht. We denken hier aan de partner en het gezin, aan de collega’s of vrienden van het slachtoffer, of mensen uit de organisatie waar de dader werkzaam was.

Voor niet-verjaarde feiten, waarbij gerechtelijke vervolging nog mogelijk is, moedigt het opvangpunt het slachtoffer steeds aan om een melding bij politie of bij de gerechtelijke instanties te doen en begeleidt hem daarbij. Wanneer het slachtoffer zelf geen melding aan politie of gerecht wenst te doen, meldt het opvangpunt de feiten, eventueel zonder de bekendmaking van de naam van het slachtoffer, aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de verdachte of bij de federale procureur.

Het opvangpunt kan, op vraag van het slachtoffer, een gesprek bewerkstelligen tussen het slachtoffer en de dader of zijn overste (de toenmalige overste of de huidige overste, als de toenmalige niet meer in leven of niet meer te achterhalen is). In dit gesprek krijgt het slachtoffer de kans uitleg en erkenning te vragen, terwijl de andere partij zijn spijt kan betonen en verontschuldigingen kan aanbieden. In een dergelijke confrontatie kan het slachtoffer uitdrukken hoeveel leed het misbruik in zijn of haar leven heeft veroorzaakt. Tegelijk wordt de dader op een persoonlijke en directe wijze geconfronteerd met het leed dat hij heeft aangericht. Het gesprek dwingt hem tot ontvankelijkheid voor de pijn die hij in het leven van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Het moet hem ook bewegen tot een groter verantwoordelijkheidsgevoel voor de gevolgen van zijn gedrag. Als de dader niet bereid is om hieraan mee te werken, zullen de opvangpunten en de kerkelijke verantwoordelijken alles wat in hun mogelijkheden ligt ondernemen om hem daartoe te bewegen.

Het opvangpunt oriënteert naar externe hulpverlening (zowel op psychologisch, sociaal als juridisch gebied). Al naargelang de nood of de vraag van de melder (slachtoffer, dader, verdachte of getuige) verwijst men door naar een CAW (Centrum voor Algemeen Welzijnswerk/Centre d’Aide aux Justiciables), een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (Centre de Santé Mentale), een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (Equipe SOS Enfants) of andere hulpverlenende diensten of instanties. Het opvangpunt zorgt niet alleen voor verwijzing maar regelt ook zelf een afspraak, indien de melder dit wenst, om tijdverlies en administratieve rompslomp voor het slachtoffer te vermijden.

Het opvangpunt motiveert de melder altijd om de feiten te rapporteren aan de overste van de vermeende dader (bisschop, religieuze overste, directie van school of instelling) om zo verder misbruik of grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. In geval van een geloofwaardige melding, moet de dader verwijderd worden uit de plaats of taak waarin een herhaling van de feiten kan plaatsvinden. Het opvangpunt doet hiervoor concrete voorstellen aan de bisschop of de overste. Deze laatste deelt steeds aan het opvangpunt mee hoe aan de voorstellen gevolg werd gegeven.

Er kan ook een geldelijke tegemoetkoming worden uitbetaald als dit het herstel kan bevorderen. Deze maakt integraal deel uit van het proces van erkenning en herstel. Hiervoor hanteren de opvangpunten dezelfde criteria als het Centrum voor Arbitrage. Deze zijn immers in consensus door de vertegenwoordigers van de Kerk en van het parlement uitgewerkt, op basis van een studie van de gerechtelijke uitspraken inzake seksueel misbruik gedaan door de rechtbank.

Wat betreft de benadering van de vermeende dader, nodigt zijn bisschop of zijn overste hem uit voor een verkennend gesprek, eventueel vergezeld van een vertrouwenspersoon. Ook bij melding van feiten uit een ver verleden wordt de vermeende dader geconfronteerd met wat over hem wordt gemeld. Zolang het onderzoek naar de geloofwaardigheid en de ernst van de klacht loopt, wordt in juridische termen over een ‘vermeende dader’ gesproken. Een vermeende dader wordt gewezen op de verantwoordelijkheid die hij binnen de kerkgemeenschap draagt en op de mogelijkheid om zich, ook in rechte, te verdedigen. Bij het minste vermoeden dat de feiten niet verjaard zijn, wordt hij ten stelligste aangeraden zich zelf te melden bij de gerechtelijke instanties.

Daders worden ernstig aangemaand om financieel bij te dragen tot de stichting Dignity, die de tegemoetkomingen aan de slachtoffers betaalt, ook al kan dit omwille van de verjaring niet in rechte worden afgedwongen. Door deze bijdrage kan een dader zijn bereidheid tonen om mee te werken aan het herstel van de schade die hij bij het slachtoffer heeft aangericht. Er zal echter nooit een rechtstreekse financiële transactie tussen dader en slachtoffer geregeld worden. Een minnelijke regeling wordt geregeld tussen het slachtoffer en de Kerk. Als een dader financieel tussenkomt, zal zijn bijdrage via de stichting Dignity aan het slachtoffer worden bezorgd.

De opvangpunten registreren elke melding met aanduiding van tijdstip van de melding, beschrijving van de aangeklaagde feiten, de periode waarin de feiten zich hebben voorgedaan, de locatie, de betrokken personen en organisaties. Alle regelingen – zoals de dading – worden schriftelijk vastgelegd en ondertekend door slachtoffer/ melder en dader. De bisschop of overste ontvangt een volledig eindverslag met het oog op de nodige maatregelen nu en in de toekomst. Bij het afsluiten van een dossier worden de melder en de (vermeende) dader schriftelijk op de hoogte gebracht van het verloop en de eventuele afronding van de zaak.

Er is voorzien dat jaarlijks een rapport wordt opgemaakt van de meldingen die bij de tien opvangpunten zijn binnengekomen en van de wijze waarop hiermee werd omgegaan. Dat rapport wordt ook publiek gemaakt. Transparantie moet garant staan voor een duidelijk beleid en een adequate preventie.

  1. 4.              Rapportering van het eerste werkjaar van de opvangpunten
  • Voorafgaande bedenking

De verwerking van de gegevens is gebaseerd op de registratie van de verschillende contactpunten. Het gaat om een summiere set van gegevens die worden verzameld zonder de privacy van de slachtoffers te schenden of hen af te schrikken met te zware administratieve en bureaucratische procedures. 

  • Aantal aanmeldingen

In het totaal werden in de tien opvangpunten 307 meldingen gedaan. Dat is ongeveer de helft van het aantal meldingen bij het Centrum voor Arbitrage (621). Vanuit de opvangpunten werden wel 46 personen voor arbitrage doorverwezen. In de veronderstelling dat deze 46 personen dus twee keer in het bestand zitten, een keer bij de opvangpunten en een andere keer bij het Centrum voor Arbitrage, zou het in het totaal gaan om 872 meldingen bij de tien opvangpunten en het Centrum voor Arbitrage samen.

76 % (233) van de meldingen komt uit het Nederlandse taalgebied, 13 % (40) uit het aartsbisdom Mechelen-Brussel, waarvan het niet duidelijk is of ze afkomstig zijn uit het Nederlandse of het Franse taalgebied en 11 % (34) uit Wallonië. Bij het Centrum voor Arbitrage was de verdeling 72 % Nederlandstaligen en 28 % Franstaligen.

  • Informatie over de melder

83 % (254) van de meldingen gebeurde door het slachtoffer zelf. 8,5 % (26) werd gemeld door familieleden van het slachtoffer. 7,2 % (23) werd door andere instanties gemeld en 1,3 % (4) door de dader zelf.

  • De leeftijd van het slachtoffer op het moment van de melding

 

Leeftijd Percentage
< 18   5
18 – 20   1
20 – 40   6
40 – 60 46
60 of meer 37
Overleden   5

Uit dat overzicht blijkt dat 83 % van de slachtoffers op het moment van de melding ouder is dan 40 en dat 37 % zelfs ouder is dan 60.

  • Geslacht van het slachtoffer

76 % van de slachtoffers was mannelijk en 24 % vrouwelijk. De verhouding verschilt lichtjes van de aanvragen bij het Centrum voor Arbitrage waar de verdeling man-vrouw 80-20 % is.

  • Leeftijd op het moment van de feiten 
Leeftijd Percentage
< 10 25
10 – 18 70
18 – 21   2
>21   3

Uit de gegevens blijkt dat 95 % van de slachtoffers jonger was dan 18 jaar op het ogenblik van de feiten en 25 % jonger dan 10 jaar.

  • Tijdsperiode waarin de feiten zich hebben voorgedaan

 

Tijdsperiode van de feiten Percentage
Vóór 1950   4
1950 – 1960 21
1961 – 1970 38
1971 – 1980 21
1981 – 1990   8
1991 – 2000   5
Na 2000   3

Uit dit overzicht blijkt dat 84 % van de gemelde feiten zich meer dan 30 jaar geleden heeft voorgedaan en 63 % meer dan 40 jaar geleden. Slechts 16 % van de feiten dateert van de laatste 30 jaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het niet gemakkelijk is om feiten te reconstrueren. Het uitgangspunt is ook meestal dat er niet zoveel redenen zijn om de geloofwaardigheid van slachtoffers in twijfel te trekken, en dat ernstige aanduidingen van waarachtigheid voldoende zijn om geloof te hechten aan het verhaal van het slachtoffer.

  • Geslacht van de dader

97 % van de daders is man en slechts 3 % is vrouw.

  • Statuut van de daders op het moment van de feiten 
Statuut van de dader Aantal Percentage
Niet te achterhalen     6  
Priester 154 48
Religieus   99 31
Broeder   36 11
Leek met pastorale aanstelling   12   3
Verantwoordelijke instelling     8   2
Diaken     2  
Uitgetreden     2  
Gesuspendeerd     2  

 

De meerderheid van daders is op het moment van de feiten priester (48 %), religieus    (31 %) of broeder (11 %). 

  • Leeftijd van de daders op het moment van de melding van de feiten 
Leeftijd van de dader op moment van melding Percentage
Niet te achterhalen 23
< 40   5
40 – 60   9
< 60 – 70   3
>70 18
Overleden 42

Uit de gegevens blijkt dat in 23 % van de meldingen het niet duidelijk te achterhalen is wat de leeftijd van de dader op dit moment is. Bij 42 % van de meldingen is de dader al overleden en is er dus ook geen confrontatie meer mogelijk met de dader. Van de nog levende daders waarvan de leeftijd is gekend is, is de helft ouder dan 70 jaar op het moment van de melding van de feiten.

  • De context waarin de feiten zich hebben voorgedaan 
Context van de feiten Percentage
School 45
Parochie 24
Misdienaar   6
Zorgverlening   6
Jeugdbeweging   4
Andere 15

Bijna de helft (45 %) van de feiten deed zich voor in een school en ongeveer 24 % in een parochie, met daarboven nog eens 6 % als misdienaar. Nog eens 6 % deed zich voor in een zorgverlenende situatie en 4 % in een jeugdbeweging.

  • Classificatie van de feiten

Waar het gaat om feiten van seksueel grensoverschrijdend gedrag werden de meldingen geclassificeerd in vier rubrieken. Dezelfde rubricering wordt ook gebruikt in het Centrum voor Arbitrage. Op basis van deze classificatie wordt ook de hoogte van de financiële tegemoetkoming bepaald.

Categorie 1: Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging.

Categorie 2: Aanranding van de eerbaarheid met geweld en bedreiging of waarbij er een vermoeden van geweld of bedreiging wordt aangenomen wanneer de minderjarige op het ogenblik van de feiten onder de volle 16 jaar was of een bijzondere kwetsbaarheid vertoonde.

Categorie 3: Verkrachting, meer bepaald feiten van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een minderjarige die daar niet in toestemde, waarbij in rekening wordt gebracht dat als de minderjarige op het ogenblik van de (eerste) feiten onder de volle 16 jaar was of een bijzondere kwetsbaarheid vertoonde, hij geacht wordt niet te hebben toegestemd.

Categorie 4: Feiten van de voorgaande categorieën die, gezien de ernst, de uitzonderlijke langdurigheid of de bijzondere omstandigheden van het seksueel misbruik, als uitzonderlijk dienen te worden beschouwd en die geleid hebben tot een aantoonbare buitengewone schade waarvan het causaal verband met het seksueel misbruik bewezen wordt.

Aard van de feiten Aantal Percentage
Categorie 1 57   23,3
Categorie 2 108   44,1
Categorie 3 67   27,3
Categorie 4 13     5,3
Totaal 245   100

Bijna de helft van de feiten (44 %) vallen in categorie 2, maar toch ook 5,3 % in categorie 4. In het Centrum voor Arbitrage dat totaal onafhankelijk van de Kerk functioneert  werd  van de in 2012 behandelde aanmeldingen nog geen enkele geclassificeerd in categorie 4.

  • Aard van de gewenste herstelmaatregelen

Als het gaat over de gewenste maatregelen, is het totale aantal gewenste herstelmaatregelen groter dan het totale aantal personen dat zich heeft gemeld, omdat een persoon meerdere verwachtingen kan hebben. Er zijn drie verwachtingen die het sterkst doorwegen: de vraag naar bemiddeling tussen het slachtoffer en de verantwoordelijke van de instantie waartoe de overleden dader behoorde op het moment van de feiten (20 %), de vraag naar een gesprek als vorm van erkenning (19 %) en de vraag naar een ontmoeting met de verantwoordelijke van de dader (19 %). Een vraag naar een ontmoeting met de dader zelf komt slechts bij drie personen of 1 % voor. Dat is gedeeltelijk verklaarbaar door meerdere factoren: omdat veel van de daders ofwel nog moeilijk geïdentificeerd kunnen worden (23 %), ofwel omdat de daders al zijn overleden (42 %), ofwel omdat het gaat om feiten die heel lang geleden hebben plaatsgevonden en waarvan de dader nu boven de 70 jaar is (18 %). Het is ook begrijpelijk dat voor een aantal slachtoffers een confrontatie met dader als te traumatisch kan worden beleefd.

32 % van de vragen gaat om verwijzing: naar arbitrage (10 %), naar een gerechtelijke instantie (6 %), naar een andere instantie (15 %), naar begeleiding buiten het opvangpunt (1 %).

Gewenste herstelmaatregelen Aantal Percentage
Enkel melding   29     6
Gesprek   86   19
Ontmoeting met de dader     3     1
Ontmoeting verantwoordelijke   88   19
Begeleiding   15     3
Verwijzing voor begeleiding     5     1
Melding aan gerecht   26     6
Bemiddeling   91   20
Arbitrage   46   10
Verwijzing andere instantie   71   15
Totaal 460 100

Het feit dat de vraag voor verwijzing naar een gerechtelijke instantie zo laag ligt, is vooral te verklaren door het feit dat het slechts in geringe mate gaat over feiten die volgens de regels van Justitie niet zijn verjaard.

  • Uitkomst van de interventie 
Uitkomst interventie Aantal Percentage
Nog in onderhandeling   86   28
Opvang en begeleiding   16     5
Verwijzing naar begeleiding   13     4
Verwijzing naar justitie   18     6
Melding aan justitie   26     8
Gesprek met overste   59   19
Financiële tegemoetkoming   90   29
Afgebroken door melder     3     1
Totaal 311 100

 Op het moment van het afsluiten van het werkjaar was nog 28 % van de meldingen niet volledig afgehandeld. Daarom wordt in volgend overzicht een berekening van de percentages en aantallen weergegeven van de volledig afgehandelde meldingen.

Uitkomst einde interventie Aantal Percentage
Opvang en begeleiding   16     7
Verwijzing naar begeleiding   13     6
Verwijzing naar Justitie   18     8
Melding aan Justitie   26   12
Gesprek met overste   59   26
Financiële tegemoetkoming   90   40
Afgebroken door melder     3     1
Totaal 225 100

In 40 % van de meldingen werd een financiële tegemoetkoming toegekend aan het slachtoffer, ook al bleek voor de meeste slachtoffers de financiële tegemoetkoming niet het belangrijkste aspect van het herstel en de erkenning. De financiële tegemoetkoming maakt integraal deel uit van een geheel van elementen die bijdragen tot de erkenning als slachtoffer. Een overzicht van de toegekende bedragen wordt in een volgende tabel weergegeven.

Bij 20 % van de meldingen werd het slachtoffer ofwel verwezen naar of werd melding gedaan bij een gerechtelijke instantie. Het opzet is dat uitdrukkelijk melding wordt gemaakt bij gerechtelijke instanties in alle situaties waarin de dader nog in leven is. In 8 % van de meldingen werd het slachtoffer verwezen naar de gerechtelijke instanties; in     12 % van de meldingen werden de feiten door het opvangpunt doorgegeven aan de gerechtelijke instantie, omdat het slachtoffer dat zelf niet aankon of niet wenste te doen.

Slechts 1 % van de slachtoffers heeft het contact vroegtijdig verbroken zonder dat men tot een afrondende interventie is kunnen komen.

  • Financiële tegemoetkoming

In 2012 hebben al negentig slachtoffers een financiële tegemoetkoming ontvangen.

Bedrag financiële tegemoetkoming in EUR Aantal
<1.000     0
>1.000 – 2.500     9
>2.500 – 5.000   39
>5.000 -10.000   27
>10.000 – 15.000     4
>15.000 – 20.000     2
>20.000 – 25.000     9
>25.000     0
Totaal   90

Uit dit overzicht blijkt dat de financiële tegemoetkoming die het meest werd toegekend tussen € 2.500 en € 5.000 ligt (39 personen) en dat voor 48 personen deze lager ligt dan € 5.000. Opmerkelijk is dat 9 personen een tegemoetkoming ontvingen tussen € 20.000 en € 25.000.

De financiële tegemoetkomingen worden, op enkele uitzonderingen na, uitbetaald door bemiddeling van de stichting Dignity. Dignity probeert dan de gelden te recupereren van de verantwoordelijke instantie, die deze op haar beurt (als dit nog mogelijk is) recupereert van de dader. 

  1. 5.          Slotbeschouwing 

Waar voor de aanmelding bij het Centrum voor Arbitrage een gelimiteerde periode was voorzien tot 31 oktober 2012, kunnen slachtoffers, hun naasten en daders een beroep blijven doen op de opvangpunten die door de Kerk werden opgericht.  We hopen dat de lessen uit het verleden zo diep zijn doorgedrongen dat bij iedereen in de Kerk een verscherpte waakzaamheid is ontstaan tegenover de eerste tekenen van onheuse machtsuitoefening en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Naast de oprichting van de tien opvangpunten waar men blijvend terecht kan voor de melding van verontrustende signalen die, uiteraard als het gaat om recente feiten die meer inhouden dan een vermoeden, aan gerechtelijke instanties worden voorgelegd, heeft de Kerk ook een Interdiocesane Commissie voor Preventie van Seksueel Misbruik van Jongeren in Pastorale Relaties opgericht. Deze commissie is samengesteld uit verantwoordelijken van de Bisschoppenconferentie, de hogere oversten van religieuze congregaties en orden, het onderwijs, het welzijnswerk en de jeugdpastoraal, de opvangpunten en de wetenschap, onder leiding van prof. dr. Manu Keirse, emeritus hoogleraar van de faculteit Geneeskunde van de KU Leuven. Er wordt op dit ogenblik gewerkt aan o.a. gedragscodes voor respectvolle omgang met kinderen en jongeren en aan informatiebrochures gericht aan kinderen en jongeren en hun ouders om de eerste tekenen van grensoverschrijdend gedrag te leren zien en er op een adequate wijze mee om te gaan.

Met het publiceren van dit eerste jaarrapport van de werking van de opvangpunten wil de Kerk verdergaan op een weg naar transparantie. Een eerste stap was de publicatie van de beleidsbrochure ‘Verborgen verdriet’, waarin het nieuwe beleid van de Kerk ten aanzien van deze problematiek werd in gang gezet.

We willen allen danken die hebben meegewerkt aan de opvang, de erkenning en het herstel van de slachtoffers uit het verleden. Maar vooral willen we onze oprechte waardering betuigen ten aanzien van de slachtoffers zelf en hun naasten die door hun naar buiten treden het inslaan van nieuwe paden naar gerechtigheid hebben mogelijk gemaakt. Het luisteren naar hen heeft ons veel geleerd.

Brussel, 15 mei 2013

brussel