Grens sferen

Bleijerheide 8 meiGisteren door Bleijerheide lopen rechercheren, mensen op straat aangesproken, je moet maar durven! Nu ben ik er al vaker geweest, soms vluchtig om tegen het internaatshek te urine’lozen als ik in Herzogenrath de MM (media markt) had bezocht, en het is sinds mijn ontmoetingen met broeder bakker Lebuinus in 1985 nogal wat verandert. Gebouwen zijn verdwenen, lappen grond verkocht, Ignatius vandoor met geld, tonnen verdwenen in een stichting! Haffmans, you’re not the only one!

Daar sta je dan‘ ging het door mij heen, de omerta van de arme franciscaner orde heeft gewerkt. Ik voelde me bedroefd, teleurgesteld in mijn rondgang langs lege, uitgestorven straten waar achter menig raam hond en kat hongerig naar buiten staarden. In deze ‘grens sferen’ die de overgang van het ene land naar het andere land onherkenbaar moeten maken, lag een sluier van triestheid over Bleijerheide waar vele straten aan elkaar zijn gebreid als een trui die niemand hoeft te passen. Een wirwar aan halve straten, gangen, oudere en nieuwe wijken die totaal niet bij elkaar aansluiten, kleine pleinen waar je eindeloos in kon rond (door)draaien. Er stonden veel panden te koop, wie wilde er ook wonen in deze verlaten diaspora, van die plekken waar je niet meer wegkomt. Het regende bovendien, niet te vergelijken met de trieste lente regen van Vivaldi waar nog altijd iets verkwikkendst vanuit gaat, waar nog een uitnodiging in schuilt om je kop in de lente regen te douwen. In deze regen was iedere druppel een vuile bom, een emmer smerig sop dat over je heen werd gekieperd zoals wij jongens op dit soort dagen terug van het sporten de kleedlokalen opzochten en door geschreeuw van de broeders in de discipline van het kloosterleven werden teruggeworpen. Wij waren vuil, bezweet, het heimwee glee van ons af, en voelden ons voor even goed.

Terug in het nu, ik sprak een vrouw aan die meer Duits dan Kerkraads dialect sprak, af en toe klonk een Nederlands woord door haar ruime keuze in een zelf gecreëerd klankbord, haar ene oog zat een beetje dichtgeplakt en met het andere oog keek ze me helder aan. Iemand sprak met haar, zomaar op straat, exact voor het internaat waar ze hoofdschuddend even voor had stil gestaan. Ze had haar lange grijze haren in slierten langs haar magere gezicht getrokken, vrouwen die uit verveling hun haren bewerken daar ze nooit tevreden zijn over hun uiterlijk. Haar haren waren dan ook vettig van het vele kleven, net als haar kleren leken ze niet vaak te luchten in open vensterramen of andere glans middelen dan roos en rook te moeten ondergaan. De panden rond het oude internaat zagen verwaarloosd uit en ik stelde me voor dat ze in een van die panden woonde. Toen ik haar vriendelijk had aangesproken bleek al snel dat ze de broeders kende, en zij er vanaf 1961 woonde.

‘Wie kende u dan’ vroeg ik, waarop ze antwoordde ‘broeder Lodewienus’? Broeder Lodewienus ken ik niet, zei ik maar ik ken wel broeder Lebuinus die is in 2006 gestorven. ‘Ja, der genau’! ‘Ziet u nu wel, ik weet waarover ik praat maar kent u ook de verhalen over dit internaat’, vroeg ik haar beleefd?

‘Kent u die uit Kerkrade die nog leeft’, vroeg ze vertrouwd alsof ze iemand getroffen had die een vergeten familie lid betrof. ‘Oh Valentinus meinen Sie, er liebt schöne jungs’, sprak ik vloeiend in haar taal. Geleidelijk begon de vrouw door te krijgen dat ze niet een metgezel getroffen had, en hoe slordig en afwezend ze mij in eerste instantie ook leek, ze wist meteen te pareren ‘dat iemand gelogen had over die pastoor’!

‘Oh die pastoor uit Maastricht, bedoelt u. Hij is een van de vele martelaren die anderen nodig heeft om zich zaken te herinneren. Alles wat hem uitkomt omarmt die en al het andere is niet waar, ja als je dit wijsheid noemt, dan ga ik met alle plezier terug naar de kleuterschool’!

De vrouw riep: ‘het gaat ze om het geld’!! ‘Geld’? Weet u voor hoeveel geld dit, en ik wees naar het gebouw, allemaal verkocht, verhandelt, en verdwenen is in de zakken van de arme broeders! Ik begreep dat het geloof, de waarheidsvinding, nu op deze plek, voor dit deels dicht getimmerde gebouw waar ik menige jaren van mijn leven tegen mijn wil (zonder amber alert) heb gezeten, gewijd, dat deze opmerking van deze vrouw de hardnekkige ontkenning vertegenwoordigt van onze (zwijg) cultuur. Ik heb meer mensen aangesproken, en niemand die iets wist. Sommige vrouwen zie je trillen wanneer God en de broeders ter sprake komen, over hen zeg je niets verkeerd, het leek mij ook beter om in het Duits te praten want in het abn moet je geen conversatie beginnen. Een man had het over daarginds, hij wees naar de horizon, Kaalheide terwijl nog geen tweehonderd meter verder ons liefdevol internaat lag. En daar stond ik dan…Kaal, ja kaler kan een land niet zijn.

Bleijerheide 8 mei 2