Vernederende straffen voor bedplassen

verjaard Bleijerheide

Vernederende straffen voor bedplassen

Bob Tebrunsvelt (1932) zit van zijn 3e tot zijn 12e in Amsterdamse weeshuizen. Hij is, net als anderen van zijn leeftijd, veel details uit zijn jeugdjaren kwijt. Andere gebeurtenissen, niet de meest vrolijke, staan hem echter nog scherp voor de geest alsof ze gisteren hebben plaatsgevonden. De oorlogsjaren brengt hij door in een weeshuis waar hij en zijn broer jarenlang worden mishandeld.

‘Van de eerste twee weeshuizen herinner ik me niet veel. Ik verbleef daar steeds met mijn broer, dat geldt ook voor het derde tehuis waar ik terechtkwam, toen ik 6 jaar oud was.’
Dat Bob en zijn broertje terechtkwamen in voorzieningen die ooit opgezet waren voor wezen, terwijl zij dat niet waren, is niet zo vreemd. Het ging om tehuizen die gesticht waren in tijden dat er nog veel wezen waren die nergens anders terecht konden. In de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw daalde het aantal wezen en openden tehuizen hun deuren voor nieuwe doelgroepen, zoals kinderen van gescheiden ouders, een groep die juist in die jaren in omvang toenam.

Niets voor jezelf

Bob: ‘Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 2 of 3 jaar oud was. Van een echt gezin is nooit sprake geweest. Ja, er waren een vader, een moeder en twee zoons, van wie ik de jongste was. Mijn moeder liet de boel liggen en mijn vader, een doodgoeie man, was altijd met zijn werk bezig. Hij was timmerman en uitvoerder op de bouw. ‘

‘Later heb ik begrepen dat het vooral de moeder van mijn vader was die vond dat ze uit elkaar moesten. Ze vond mijn moeder niet fatsoenlijk. Mijn moeder was een mooie vrouw met een Mona Lisa-achtige lach. Nu zou je zeggen dat ze sexy was. Ze zag eruit als een filmster. Oma was jaloers, dat was ze trouwens ook op haar eigen dochter. Ik denk dat dat voortkwam uit haar analfabetisme. Ze probeerde dat te verbergen, maar ik had het wel in de gaten. Omdat haar veel ontging, is ze misschien heel wantrouwend geworden.’
Het weeshuis had een jongens- en een meisjesafdeling. ‘De directeur was wel een goede man, maar met hem had je niet zoveel te maken. Hij woonde zelf op het terrein, net als het echtpaar Den Brabander en hun zoontje Jan. Mijnheer Den Brabander, een lange, slanke man, studeerde voor dominee. Hij en zijn vrouw, die juist breed en fors was, waren nooit aardig tegen de kinderen. Nooit. Zij hadden de leiding over de jongensafdeling die uit twee groepen bestond: de ‘schooljongens’, ik denk een stuk of 20 tot 25 jongens tussen de 6 en 12, en ‘de grote jongens’, zo’n 10 jongens ouder dan 12 jaar. We gingen in de buurt naar school, er was daar één onderwijzer die mijn situatie begreep, namelijk dat ik een ouderlijk huis en aandacht miste.’
‘We sliepen met zijn allen op één slaapzaal, een kastje was het enige dat je privé had. Ik weet nog dat ik een keer bij een jongen van school thuis kwam en dat hij mij zijn witte muizen liet zien. Die jongen had iets wat helemaal van hem was en ik had helemaal niets. Die nacht heb ik in bed liggen huilen.’
‘Mijn vader zag ik nooit in die jaren, ook al had hij de voogdij. Mijn moeder mocht mij niet zien of opzoeken, maar ik zag haar wel eens bij de kerk waar we iedere dag heen moesten. We liepen iedere morgen een heel eind naar de kerk in het centrum van de stad. Daar wachtte ze dan op me, maar er was nooit gelegenheid tot veel contact.’

27

Keihard slaan

In het weeshuis is Bob jarenlang mishandeld, vooral door de vrouw van het echtpaar dat de jongensafdeling bestierde. Aanleiding was zijn bedplassen. ‘Zij controleerde ons als we in bed lagen. Als ik in bed geplast had, wat vaak gebeurde, dan moest ik op mijn knieën voor het bed gaan zitten met mijn pyjamabroek omlaag en wachten tot ze terugkwam. Dat kon soms heel lang duren en dan zat ik daar maar. Dat was heel vernederend en mijn angst wat er zou gaan gebeuren werd steeds groter. Als ze er dan eindelijk was, kreeg ik eerst een draai om mijn oren, daarna sloeg ze met de blote hand op mijn billen. Dat was niet even, maar een hele tijd en echt kei- en keihard. Ze ging er prat op dat ze harder sloeg dan haar man. Dat slaan heeft zo’n drie jaar geduurd tot ik het niet meer in bed deed. Na het slaan moest ik zelf buiten mijn lakens gaan uitspoelen, ook in de winter als het steenkoud was.’
‘Ik onderging het, er met iemand over praten deed ik niet, ik denk dat ik me schaamde. Ik kan me niet voorstellen dat ze dachten dat je door zo’n behandeling op zou houden met bedplassen. Over waarom ik in bed plaste en wat er eventueel aan gedaan zou kunnen worden, werd nooit gesproken. Ik kreeg alleen slaag voor het bedplassen, niet voor ander gedrag, Ik heb me wel eens afgevraagd waarom ze me sloegen, maar het nooit begrepen. Ik ben altijd laconiek geweest in mijn ellende. Pijn probeerde ik weg te praten door veel te kletsen en grapjes te maken. Dat deed ik later ook toen ik na een operatie in het ziekenhuis lag.’
‘Mijn broer is in het tehuis ook mishandeld. Nog erger dan ik. Hij reageerde emotioneler en was opstandiger dan ik. Als hij weigerde iets te doen, kreeg hij ervan langs. Ongenadig soms. Ik herinner me dat hij een keer naakt op de grond moest gaan liggen in de grote doucheruimte. Ze zouden hem met een luiwagen wel eens even ‘wassen’. Hij brulde het uit van de pijn en heeft nog steeds littekens op zijn rug. Erover praten wil hij niet, ook niet met mij.’

Intimiderende brief

Bob bezit drie brieven uit de oorlogsjaren waaruit blijkt dat zijn moeder pogingen heeft gedaan (gedeeltelijk) het ouderlijk gezag over haar kind terug te krijgen. De eerste is een kort briefje dat de directeur van het weeshuis haar stuurde op 16 juli 1942: ‘Geachte mevrouw, Naar aanleiding van wat er zondag gebeurd is, richt ik mij tot U met het dringende verzoek dat U zich onthouden zult van elke poging om Bob te zien of te spreken. Bob is van dat alles de dupe. Hij krijgt er straf voor en mocht U hiermee voortgaan dan zou de voogdijraad tot plaatsing elders overgaan. In het belang van uw kind verzoek ik U dus vriendelijk verder geen contact meer te zoeken.’ De andere twee brieven dateren uit 1944, het jaar waarin Bob het weeshuis verlaten zou. Ze zijn afkomstig van een advocatenkantoor.

In juli 1944 kreeg Bobs moeder te horen dat de rechter het advies van de voogdijraad volgde om de voogdijbeschikking niet te veranderen. Dat betekende dat zij nog steeds geen contact met haar zoon mocht hebben. Drie maanden later berichtte de advocaat haar dat hij zou pleiten voor een ‘bevredigende regeling van het bezoekrecht’, mocht het hof negatief beschikken over het hoger beroep dat Bobs moeder blijkbaar had aangetekend.

Van de acties van zijn moeder wist Bob op dat moment niets. ‘Ik weet wel dat mijn familie mijn moeder zwart probeerde te maken. Ze noemden haar ‘Greet’ en spraken dat op een heel nadrukkelijke en afkeurende manier uit. In die jaren in het tehuis kon ik mijn hart bij niemand

28

uitstorten. Ook van mijn broer kreeg ik weinig steun, we waren niet gewend onze gevoelens te tonen. Aan mijn toeziend voogd had ik helemaal niets. Af en toe moest je voor hem op komen draven om te laten zien hoe goed het zogenaamd met je ging. Ik vertrouwde niemand, ik werd heel achterdochtig en voorzichtig.’

Liefdeloze grootmoeder

‘Toen ik 12 was, het was in 1944, ging ik naar de oma over wie ik het al had. Mijn broer was al eerder uit het weeshuis weggegaan, omdat ze hem, vanwege zijn opstandigheid, kwijt wilden. Hij is toen naar een pleeggezin gegaan in Beekbergen, bij een keuterboertje. Later kwam hij ook naar mijn oma, maar na een paar jaar verhuisde hij naar een nieuw pleeggezin in Apeldoorn waar hij het eindelijk naar zijn zin had. Ik heb tot mijn 20e bij mijn grootmoeder en tante gewoond. Zij was een ongetrouwde dochter, ze was maar een jaar of tien ouder dan ik. In feite heeft zij mij en mijn broer opgevoed en ons naar school gestuurd.’
‘Mijn grootmoeder was twee keer met dezelfde man getrouwd en twee keer van hem gescheiden. Ik vermoed dat ze het zwarte schaap van de familie was. Van haar broers en zussen heb ik er ooit maar één ontmoet. Mijn oma wist niet wat liefde was, ze was ook liefdeloos tegenover haar eigen dochter. Ze hadden altijd ruzie, er heerste een klimaat van haat en nijd, van achterdocht en jaloezie. Ik heb er geen klappen gekregen, maar ook geen liefde. Ze hielden niet echt van ons en dat was omgekeerd ook wel zo. ‘
De oorlog bracht voor Bob en zijn broertje nog meer ellende, maar ook momenten van geluk. ‘Ik herinner me dat we regelmatig uren in de rij stonden voor lege winkels. Toen er niets meer te eten was, hebben mijn vader en tante mijn broer en mij achter op de fiets naar boeren in de Schermer gebracht. Daar hebben we de Hongerwinter doorgebracht, bij verschillende boeren, een kanaaltje van elkaar verwijderd. Later is me verteld dat ik bij aankomst vol zweren en korsten zat. We hebben daar van januari tot juni 1945 gezeten, dat was een heerlijke tijd bij een liefdevol gezin. De rest van mijn hbs-tijd en daarna toen ik op de radioschool [opleiding voor radio-officier] zat, heb ik bij mijn oma en tante gewoond.’

Niet geleerd lief te hebben

‘Ik wilde gaan varen om alles achter me te laten, maar kapitein of machinist kon ik niet worden, omdat ik een bril droeg, daarom werd het radiografie. Op mijn 20e was ik al chef van dienst, daar was ik wel trots op. Ik heb een jaar of vijf gevaren als radiotelegrafist, nadeel is dat je in je eentje werkt en dat er geen carrièremogelijkheden zijn. Daarna ben ik het bedrijfsleven ingegaan en ben ik heel lang bedrijfsleider bij een Blokkerzaak geweest.’

‘Mijn vrouw heb ik leren kennen toen ik op de radioschool zat. Ze werkte op een kantoor daar vlakbij. In het begin had ik wel moeite om met meisjes om te gaan. Ik stond wantrouwend tegenover het idee van iemand te houden. Dat had ik gewoonweg niet geleerd. Het was voor mij ook een openbaring toen ik de moeder van mijn vrouw leerde kennen. De liefdevolle omgang tussen die twee was iets wat ik helemaal niet kende. Na ons trouwen zijn we bij mijn schoonouders gaan inwonen op de verdieping boven hen.’

‘Van de ervaringen in het tehuis heb ik altijd last gehad, het meest nog van de afranselingen die mijn broer kreeg en waarvan ik vaak getuige was. Ik heb mijn vrouw en kinderen wel over mijn ervaringen in het weeshuis verteld en maak er wel eens een grapje over. Vlot praten en grapjes

29

maken heeft me, net als mijn broer en vader, populair gemaakt. Mijn zoon heeft dat ook. Ik ben in de plaats waar ik nu woon vijftien jaar lang Sinterklaas geweest. Ik werd “de enige echte” genoemd en ik word er op straat nu nog op aangesproken. Ik als de grote kindervriend: niet gek toch voor iemand die als kind nooit liefde heeft gekend?’

Groot Rusland en klein Nederland

straathond in Rusland

Fake-news beschuldigingen, de verspreiders ervan doen het meestal zelf. Rusland was de grote boosdoener en nu blijkt het is een gewoon land: het normale Nederland: altijd het beste jongetje van de klas.

Wat wil je als je als VVD de verkiezingen wilt winnen met het soort lullige koude oorlog retoriek van Halbe Zijlstra met zijn Datcha leugen sier wilt maken. Niemand die nog over 2006 begint in deze tijd van fake-news all over the planet. Het is van een typische Nederlandse tegel onbenulligheid waar je internationaal voortaan de deksel op je neus krijgt: ‘Halbe was (is) er bij’. Het westen is zo wie zo ongeloofwaardig hoe ze de voormalige Warchau pact landen deden inlijven en ook nu is de EU de balkan route vreedzaam aan het opslurpen. Een Groot (Sovjet) rijk of een heel groot Westen EU, Europa / VS….het kleine jongetje moet ergens bijhoren!

Wodkalinka
http://play.tojsiab.com/aTUxITDZhzI

Ik leerde vooral om onzichtbaar te zijn

Schrijnend heimwee

Een gewone jeugd heeft Anna (1934) nooit gehad. Maar dat ze op haar 5e gescheiden werd van haar moeder en in een tehuis terechtkwam, was volgens haar niet nodig geweest. De oorlogsjaren in het tehuis waren zwaar, ze had er helemaal niets en raakte zwaar ondervoed. Anna bewaart dan ook geen enkele positieve herinnering aan die periode. Op haar 9e komt Anna bij haar moeder terug in een huis vol met onderduikers. Ze kende een lagere schooltijd getekend door honger, eenzaamheid, pijn en angst. ‘Ik leerde vooral om onzichtbaar te zijn.’ Een manier om te vluchten en / of te overleven.

‘Een echt gezinsleven kan ik me niet herinneren. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 2 jaar oud was en ik woonde alleen met mijn moeder boven een café aan het Thorbeckeplein in Amsterdam. Het was een krappe etage, ik sliep vaak op een matrasje in de badkuip. Mijn moeder had een relatie met de eigenaar van die bar, een aardige man. Ik had een broer die elf jaar ouder was. Hij zat op de Pollux, een opleidingsschip voor de koopvaardij dat in de Amsterdamse haven lag. In 1940 werden die jongens bij de marine ingedeeld. Hij is naar Engeland verhuisd en pas een jaar of tien geleden heb ik hem weer voor het eerst gezien toen hij hier ineens voor de deur stond.’

‘Ik was een echt straatkatje. Ik speelde veel op het Thorbeckeplein waar de portiers van de cafés – in hun mooie uniformen -, de animeermeisjes en de vaste klanten zich om me bekommerden. Ik kwam er in contact met veel bijzondere types. Dat was leuk en het voelde veilig. Er speelden ook wel andere kinderen op straat, maar die moesten naar binnen zodra het donker werd. Aan de andere kant van het plein was het Rembrandtplein, maar daar kwam ik eigenlijk niet. De grens lag zo’n beetje op de hoek bij Ruteck’s, de bekende lunchroom. In de oorlog veranderde er wel één en ander, er kwam bijvoorbeeld een schuilkelder op het Thorbeckeplein.’

‘Ik heb eigenlijk alleen warme herinneringen aan die jaren tot mijn 5e jaar. Anderen dachten blijkbaar anders over mijn kindertijd. Ze moeten mijn moeder hebben aangesproken dat ze haar dochtertje verwaarloosde en dat het Thorbeckeplein geen goede omgeving was om een kind groot te brengen. Misschien was het een oudere zus van mijn moeder die in actie kwam, die was directrice van het Burgerweeshuis. Mijn moeder was de jongste van elf kinderen. Ze hadden zich er nooit mee moeten bemoeien.’

Tehuis aan zee

‘Hoe dan ook, mijn moeder heeft me opgepakt en in februari 1940 weggebracht met de tram die helemaal doorliep naar de kust. Daar leverde ze me af bij een kindertehuis, een groot gebouw in Zandvoort. De gevel van beton met kiezels deed me altijd denken aan een olifantenhuid. Ik was er totaal niet op voorbereid, ik zat er met niets en niemand. Dan moet je maar zien dat je je aanpast. Ik ben er ruim vier jaar gebleven.’

‘Ik was de jongste van een groep jongens en meisjes tussen de 5 en 12 jaar. Er zaten ook joodse kinderen in het tehuis. Pas na de zomervakantie mocht ik naar de lagere school vijf minuten verderop, de enige plek waar je contact had met andere kinderen dan die van het tehuis.’
‘De leidsters die een blauwe jurk en wit schort droegen, noemden wij “zusters”. Alles ging er collectief, wassen, plassen, eten, naar bed gaan. Je vrij bewegen door het gebouw, daar was geen sprake van. In bed moest je je handen boven de dekens vouwen. Bedplassers werden met hun natte laken op de gang gezet. Kinderen die wegliepen en weer opgepakt werden, sloten ze op in de bezemkast. Af en toe kregen we werkjes, zoals schoenen poetsen.’

slaapzalen

‘Iedereen had een eigen kastje. Het mijne was nummer 19. Het was leeg, ik had helemaal niks van mezelf. Pas toen ik een jaar of 16 was, kreeg ik voor het eerst iets van mezelf, kleren waar een ouder nichtje uitgegroeid was. Er was daar niets, je raakte eraan gewend. Ik ben er goed in geworden om in tijden van nood de gaten in het net te vinden. Wat ik er ook van over heb gehouden, is altijd ergens controleren waar de vluchtroutes zijn. Ik was vaak bang. Vanwege de oorlog was het ’s avonds pikkedonker. Af en toe zag je lichtbundels of hoorde je vliegtuigen, daar was ik als de dood voor. ‘

Ernstig ondervoed

‘We zaten op leeftijd aan tafel, ik helemaal op het eind. Het eten kwam in van die grote nikkelen pannen. Dat begon aan het andere eind van de tafel. Als ze bij mij en de andere jongste kinderen kwamen, waren ze zowat leeg. Ik ben daar dramatisch ondervoed geraakt. Soms kregen we bijvoeding in de vorm van broodpap. Dat vond ik zo smerig dat ik dacht “ik ga nog liever dood dan dat op te eten”. Omdat ik zo weinig woog – ze noemden me “draadje” – mocht ik niet achterop de fiets, de kans dat ik eraf zou vallen was gewoon te groot. Ik wilde nooit mee als er gewandeld werd, omdat ik dan nog vermoeider zou worden dan ik al was.’

‘Door de ondervoeding kreeg ik grote gele zweren op mijn knieën en ellebogen. Daar wist de directrice wel raad mee. Iedere zondagochtend luidde de bel en dan riep één van hen “verbandkamer”. Dan moesten de kinderen die wat hadden daar naartoe. Een zuster had een verbandje, pakte daarmee een zweer vast en draaide die zonder pardon uit de huid. Dat was vreselijk pijnlijk en maakte de wond alleen maar erger. Tot mijn 40e heb ik last gehouden van littekens op mijn ellebogen, een soort permanente herinnering aan het tehuis.’

‘Op zondag was het bezoektijd. De kinderen stonden dan op krukjes voor de souterrainramen te kijken of er iemand voor ze kwam. Mijn moeder kwam eens in de drie maanden langs. Er waren kinderen bij die altijd vergeefs stonden te wachten. Eén keer was er een mijnheer voor mij. Hij zei dat hij mijn vader was en gaf me een vierkantig stoffen speelgoedhondje. Toen hij weg was, moest ik dat meteen aan een zuster geven. Ik heb het nooit meer teruggezien.’

‘Die zusters waren er nooit voor jou, ik kan me geen enkel persoonlijk gesprek herinneren. En de directrices waren van die theemutsachtige vrouwen bij wie je uit de buurt probeerde te blijven. Vriendinnetjes had ik in het tehuis niet. Ik gedroeg me zo onopvallend mogelijk, wat in zo’n groep niet zo moeilijk is. Ik heb in de oorlog geleerd om niets te zeggen. Zelfs later wilde ik mijn naam niet zeggen als iemand vroeg “hoe heet je?”. Dat is toch raar? Ik had geen benul van de juiste verhoudingen. Er is niets wat ik als positief herinner van het tehuis. Boven alles had ik een schrijnend heimwee naar het Thorbeckeplein. ‘

Leven met onderduikers

‘Dat ik in 1944 terugging naar mijn moeder in Amsterdam was waarschijnlijk een geldkwestie. Ze kon de kosten van het tehuis niet meer betalen. Ze was verhuisd van het Thorbeckeplein, maar woonde inmiddels in het huis van joden die ze goed kende en die haar gevraagd hadden om op hun huis en kostbaarheden – ik meen sieraden en een postzegelverzameling – te passen. Het was een bovenwoning aan de Nassaukade. We hadden onderduikers, soms wel zes tegelijk. Ik herinner me Max, Noes en oom Ab, die was gehandicapt en las me voor uit Karl May. Ik wist dat ze in gevaar verkeerden. Mijn moeder had me opgedragen niets tegen anderen te zeggen en geen vriendinnetjes mee naar huis te nemen. Als me wat gevraagd werd, moest ik antwoorden “dat weet ik niet, vraag het maar aan mijn moeder”.’

‘Mijn moeder had voor de oorlog een sigarenzaakje gehad en kende daardoor andere handelaren. In de oorlog had ze een handeltje in krenten en rozijnen. Die ruilden we tegen ander voedsel, zoals maggiblokjes, of ik moest ze in kleine pakjes rondbrengen. Van ieder pakje nam mijn moeder na het afwegen één rozijn en als ze er genoeg had, gebruikte ze die om een taart te bakken. Als je het zo achter elkaar zet – het Thorbeckeplein, het tehuis en dat adres met die onderduikers – dan heb ik als kind nooit een gewoon gezin meegemaakt.’

‘De joodse onderduikers en wij zijn op een gegeven moment naar Friesland gevlucht toen er in onze straat een vliegtuig neerstortte en er veel Polizei op de been was. Tijdens de oorlog dook mijn vader ook weer op. Ik heb hem toen een keer of drie gezien. Hij had zich aangesloten bij het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps, dat leverde chauffeurs voor Duitse konvooien. Hij wilde dat ik me inzette voor de Winterhulp [nationaalsocialistische organisatie voor maatschappelijke hulp]. Mijn moeder vroeg hij om met hem te hertrouwen. Ze weigerde.’

Twee universitaire studies

‘Na de oorlog ben ik met mijn moeder teruggegaan naar haar huis. Daar ben ik tot mijn 19e gebleven. Na de lagere school heb ik, denk ik, de ulo gevolgd, dat was voor mij te makkelijk. Op mijn 15e moest ik meteen gaan werken. De verhouding met mijn moeder was moeizaam, ik was heel bang voor haar. Voor mijn belang als kind had ze geen aandacht. Zij had een relatie met een zwarthandelaar die zwaar alcoholist was. Geloof me, niets is erger dan een alcoholistische huisgenoot. Als mijn moeder genoeg van hem had, moest hij maar bij mij in bed gaan liggen. Wie doet nou zoiets? Goed, hij verkrachtte me niet, maar hij hield zijn handen ook niet thuis. Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar ik was zo gelukkig toen hij ernstig ziek bleek en doodging. Dat was een geschenk uit de hemel. Het waren vreemde jaren. Als kind wist ik alles van de onderwereld, maar van het gewone leven wist ik niks.’
‘Ik ben van schrik getrouwd en heb vier kinderen gekregen. Na de scheiding van mijn man heb ik gebroken met mijn moeder. Ik was 35 en meldde me aan voor de sociale academie. Na mijn afstuderen kreeg ik de vraag of ik me wilde specialiseren voor de jeugdzorg of het maatschappelijk werk. “Alles liever dan dat”, was mijn antwoord. In plaats daarvan ben ik aan de universiteit sociale wetenschappen gaan studeren, later nog gevolgd door een studie kunstgeschiedenis en een schildersopleiding. Schilderen doe ik nog steeds.’
‘Ik zou mijn kinderen nu anders opvoeden. Mijn zoon heeft wel eens gezegd dat het me onverschillig leek wat de kinderen deden. Dat was niet zo, maar ik liet alles toe, omdat ik zelf niets mocht als kind. Ik ben omwille van de kinderen zelfs naar het platteland verhuisd, terwijl ik een echt stadsmens ben.’
‘Nergens ingebed zijn, dat is het overheersende gevoel dat ik van mijn jeugd en vooral de tehuisjaren heb overgehouden. Ik ben goed in iets wegduwen, vergeten en ontkennen, mezelf onzichtbaar maken. Het tehuis is voor mij vooral angst. Ik werd bang voor niks, bang voor alles.’ ‘De dood van burgemeester Van der Laan heeft me enorm aangegrepen. Het bracht ineens een sluimerend heimwee naar Amsterdam en het Thorbeckeplein naar boven. Ik weet natuurlijk dat het daar nu totaal anders is. Maar dat ik uit Amsterdam ben weggegaan is het enige besluit waar ik echt spijt van heb, hoe ik het ook naar mijn zin heb in de buurt en stad waar ik nu woon.’

Om redenen van privacy zijn namen van personen, instellingen en locaties in dit interview aangepast.

Piemeltje eraf

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Jan Klos (1939) in een kindertehuis samen met een broertje en een zusje. Van de oorlog merkten ze weinig omdat ze niet buiten mochten spelen. De herinnering aan twee vreselijke vernederingen is hij echter nooit meer kwijtgeraakt.

Jan is in 1939 geboren als vijfde van zes kinderen. Zijn vader heeft een transportbedrijf in het noorden van Noord-Holland. In de oorlog moet hij zijn auto’s afstaan aan de Duitsers waardoor het vrijwel onmogelijk wordt het bedrijf in stand te houden. In 1941 scheiden Jans ouders. Als Jan, later tijdens de oorlog, op een dag met zijn zus en broer thuiskomt, zit zijn broertje in de box en liggen er drie bananen op tafel plus een briefje van zijn moeder met de boodschap dat ze naar de buurvrouw moeten gaan. Hun moeder is met haar jongste dochter met onbekende bestemming vertrokken. Later blijkt dat ze in Groningen zit waar de op één na oudste broer van Jan zich bij haar zal voegen. De oudste is het huis al uit, hij is bij familie in de kost en volgt daar een opleiding. Hun vader had zijn vrouw en kinderen toen al verlaten en niemand weet waar hij dan is.

Traumatische gebeurtenissen

Jan, zijn broer en zijn zus worden diezelfde nacht nog afgeleverd bij het plaatselijke ziekenhuis. Van daaruit verhuizen ze naar een kindertehuis in het midden van het land. Daar verblijven zo’n 30 tot 40 kinderen, van alle leeftijden. De oudsten zijn een jaar of 16, 17. Al kort na aankomst maakt Jan daar twee traumatische gebeurtenissen mee die hem de rest van zijn leven zijn blijven achtervolgen.
Jan heeft in zijn broek gepoept. De leidsters zijn kwaad en zeggen dat ze hem dat wel even af zullen leren. Met zijn tweeën nemen ze hem en zijn zusje mee naar een flinke badkamer waar zich een badkuip en een grote werktafel bevinden. Ze laten koud water in het bad lopen. Jan moet zich uitkleden en wordt op de tafel gezet. De ene leidster houdt hem vast terwijl de ander de poepbroek in haar handen heeft en naar zijn gezicht brengt. ‘Opeten’, beveelt ze. De jongen weigert. ‘Opeten’, herhaalt ze het bevel terwijl ze de broek hardhandig in zijn mond duwt. Jan heeft geen keus. Vervolgens pakken de twee leidsters hem vast en dompelen hem langdurig onder in het koude water. ‘Ik zag de bloemen van de dood, dat was prachtig, ik stierf bijna een verdrinkingsdood.’ Dat gebeurt een keer of drie. Al die tijd zit zijn zusje in een hoekje en is ze er getuige van hoe de leidsters Jan ‘zijn lesje leren’.
Bij de tweede gebeurtenis is ook zijn broer betrokken. Jan slaapt met hem in een bed op een grote slaapzaal. ’s Nachts plast Jan in bed en dat wordt ontdekt. De twee leidsters jagen hem het bed uit en maken alle kleine jongens wakker. Iedereen moet naar beneden waar ze Jan op de tafel zetten. De ene leidster trekt zijn broek naar beneden, de andere komt naar hem toe met een groot mes. ‘Als je nog een keer in bed plast dan ga ik het gebruiken jongen en dan snij ik je piemeltje eraf.’ Ze ondersteunt haar woorden met een snijdend gebaar.
Jan en zijn broertje en zusje hebben tot het eind van de oorlog in het tehuis gezeten. ‘Van de oorlog merkten we niets. Ik geloof niet dat we ooit buiten mochten spelen. Ik weet nog wel dat we direct na de bevrijding als kinderen onder een luifel op een rijtje werden gezet en moesten toekijken hoe er een kar voorreed met daarop allemaal vrouwen die vervolgens kaalgeschoren werden. We hadden geen idee wat dat te betekenen had.’

Licht voor mijn huis

Terug naar huis

Van hun ouders hebben de kinderen al die jaren niets gehoord. Bezoek is niet toegestaan. Een keer staan er twee tantes buiten naar hen te zwaaien herinnert Jan zich. Ze mogen niet naar binnen. Tijdens de oorlog hertrouwt hun vader. Hij zet zijn transportbedrijf weer op en krijgt in 1945 of 1946 de keuze: zijn kinderen terugnemen of hen afstaan aan kinderloze echtparen. Hij kiest voor het eerste. ‘Mijn tweede moeder was een geweldige vrouw’, zegt Jan, ‘met haar kreeg mijn vader nog twee kinderen, mijn halfzus en halfbroer’.

Jans broer die met zijn moeder is meegegaan naar Groningen staat op een dag voor de deur en voegt zich bij het nieuwe gezin van zijn vader. De oudste broer blijft bij familie in de kost, terwijl het jongste zusje van Jan bij haar moeder woont. ‘Ik heb jarenlang geen contact met haar gehad. Later is dat gelukkig goed gekomen.’

Pas als hij 12 is, ziet Jan zijn biologische moeder weer. Zijn oudere broer neemt hem mee op een fietstocht. Ze komen in een dorp dat Jan niet kent waar zijn broer zegt ‘hier gaan we koffie drinken’. Dat blijkt bij hun moeder te zijn. ‘Het was een vreemde voor me, ik voelde er helemaal niets bij.’

Thuis hebben ze het niet breed. Als Jan 7 jaar oud is, valt hij van een paard en wagen. Hij ligt ruim twee maanden in het ziekenhuis op de rand van leven en dood. Hij redt het. Na de lagere school moet hij meteen meewerken in het bedrijf van zijn vader. ‘Ik moest bijvoorbeeld bij boeren koolplanten halen en die naar een zuurkoolfabriek brengen.’ Als het bedrijf niet meer rendabel is, begint zijn vader met de exploitatie van een kermisattractie. ‘Van die schommelschuitjes. Ik moest mee van de ene naar de andere kermis, opzetten en weer afbreken. Ik vond het vreselijk.’ In één van die plaatsen loopt plots zijn moeder langs. ‘Ze toonde geen spoor van emotie’.

Het kermisleven houdt op voor Jan toen hij in dienst moest. ‘Toen ik afzwaaide, vertelde ik mijn vader niet terug te willen in het bedrijf. Ik kon meteen opstappen.’ Hij kan gelukkig intrekken bij zijn latere schoonouders. Zijn verloofde is enig kind en in het huis is plaats genoeg.
Na een paar fabrieksbaantjes komt Jan terecht in een kruidenierszaak die hij later over kan nemen. Er volgt een carrière bij een kruideniersketen waar Jan opklimt tot filiaalleider en regiomanager. Hij heeft het erg naar zijn zin. Toch kiest hij op zijn 35e voor een nieuwe loopbaan als bewaarder in een penitentiaire inrichting. In verschillende instellingen werkt hij de volgende 25 jaar als bewaarder, hoofdbewaarder, brigadier en afdelingshoofd. ‘De omgang met heel verschillende mensen was het mooiste aan dat werk. Ik heb nooit een klap gehad. Soms kom ik nog wel eens iemand tegen die roept: “Hé Jan, ken je me nog? Ik heb bij jou in de bajes gezeten!” Het was een heerlijke tijd.’

Taboe-onderwerp

Over de jaren in het kindertehuis wordt in de familie niet gesproken. Aan hun vader en stiefmoeder vertellen de kinderen nooit wat ze hebben meegemaakt. Ook onderling is het onderwerp taboe. Jan: ‘Mijn zus praatte er niet over. Ik weet van haar alleen dat ze op haar vingers werd geslagen als ze de aardappels volgens de leidsters niet goed geschild had. Mijn broer heeft ongetwijfeld ook vervelende dingen meegemaakt, maar als we het over het kindertehuis hadden, barstte hij steeds in huilen uit, ook toen hij al lang volwassen was.’

Zijn broer heeft ooit het adres van een van de leidsters achterhaald. ‘We hebben er verder niets mee gedaan. Ik had geen behoefte om verhaal te gaan halen. Maar waarom die vrouwen ons zo behandelden, dat heb ik nooit begrepen en zal ik nooit begrijpen. Hulp heb ik nooit gezocht. Ik kan er nu wel over praten. De beelden komen dagelijks terug, je weet nooit tevoren wanneer en waarom. Dan sta ik weer in die badkamer van het tehuis of in de zaal beneden. Gelukkig heb ik mijn hobby’s. Als die gedachten opkomen, ga ik timmeren of in de tuin werken.’

Licht op…Margriet Biemans Sitton

Via FaceBook schreef Margriet Biemans Sitton me onderstaande mail. Wat me treft in haar verhaal is dat er altijd wel een reden te vinden is voor de Nederlandse staat om erkenningen en genoegdoening te ontlopen en hun kop in het zand te steken. Altijd moet het verhaal kort zijn, een politieke soap, het mag niet te lang duren want ’time is money’, marketing voor de media, en voor je het weet word je terug gezet in Niemandsland. Je moet je dus profileren en als je niet al te veel kleur heb, ben je ‘een nobody’. Mevr.Samson is een upper class bitch, die hooghartig neer kijkt op al die klagende slachtoffers. Zij heeft in ieder geval goed betaald gekregen voor haar onderzoek wat aan alle kanten rammelt. Het ontbreekt haar ten ene male aan menselijkheid, aan warmte en solidariteit (een aangekoekt begrip uit socialistische hoek).

Micha de Winter en zijn team vind ik daartegen integere onderzoekers en hij heeft gelijk wat betreft de ‘bezette staatkundige’, toestand van ons land maar waar hij niet overheen wil (uit)glijden is dat de instituten als de instellingen bestuurd werden door Nederlandse katholieke aanverwante organisaties. In afschuiven zijn sommige commissies goed in, daarvoor krijgen ze de juiste opdracht mee.

Het is een schande dat Margriet Biemans Sitton zo veel te lijden had van de voogdij sadisten, de oorlog begon gelijk gruwelijk door haar en haar twee broertjes weg te halen uit het gezin dat niet voldeed aan Christelijke normen (vloeken?). Inderdaad Margriet uw verdriet is nooit verjaard en zeker niet wanneer het nooit omarmd wordt. Ik was erbij toen ze haar verhaal deed bij de Cie. Samson in Den Haag. Een fantastische mens, nu haar verhaal:

Beste BertSmeets Ik ben maar zo vrij om u te schrijven Ik ben margriet Biemans Sitton geboren 4 maart 1935 ben in 2012 bij de prezentatie geweest van het slechte boek van het onderzoek naar het misbruik van Deetman ! Mevrouw Samson was de volgende onderzoekster De zaal was vol met lotgenoten mensen mochten in het kort hun verhaal vertellen detranen stroomden over mijn wangen nam de moed op door mijn maatje naast mij die zij vooruit doe ook je verhaal dat deed ik ook maar werd afgestraft door Samson Dat ik was verjaard met de mensen van voor 1945 werd niets gedaan,Waar ik op antwoorden Mevouw ik ben wel bejaard maar mijn verdriet is niet verjaard , Mijn geschiedenis is dat ik in1940 met mijn twee broertjes door de voogdij bij onze moeder zijn weggehaald en naar pleeggezinnen zijn geplaatst de jongens waren daar niet zo lang maar ik ging naar limburg 6 jaar daar heb ik het een jaar goed gehad Twee jaar misbruikt en drie jaar zwaar mishandeld ! Heb nu 6 jaar gevochten met de politiek met veel lieve mense met lotgenoten het schadefonds gewelds misdrijven hebben mij schandelijk behandeld heb te veel om allemaal nu op te schrijven Meneer de Winter is hier bij ons thuis geweest 3 uur naar mijn verhaal geluisterd dus ik dacht werkelijk hij gaat het voor ons in orde maken wij waren nog met een paar mensen van voor de twede wereldoorlog geboren Maar wat hij mij toen toen vertelden !! Dat hij niets voor onze groep kon doen want wij stonden in de jaren 1940-1945 onder het bewind van de Duitsers !! Daar ben ik echt ziek van geweest Maar hi wilden wel wat voor ons doen het boekje met 10 verhalen laten maken ! Daar wilde ik niet aan mee doen want ik zei hem ook wij willen erkent worden ik vind dat wij gewoon gediscrimineerd zijn ,Het boekje is er met 9 schrijnende droevige verhalen ik ken een aantal mensen heb 6 jaar brieven naar den Haag geschreven teveel om op te noemen wat wij allemaal gedaan hebben Met medewerking van mijn lieve man die mij vanaf mijn 17 jaar geholpen heeft mijn maatje mijn lieve man waar ik dit jaar 60 jaar mee gtrouwd zou zijn de liefste Vader en Opa Is op 8 november na een openhart operatie die goed was verlopen maar aan een longonsteking is overleden de kinderen zijn erg lief iedereen probeerd mij te helpen maar het is vreselijk mijn man is er niet meer ik ben ontoostbaar hij kan dat mishandelde kind wat in mij zit niet meer helpen ik moet het zelf doen ik moet sterk zijn voor onze kinderen die willen hun moeder niet kwijt ook mijn twee broertjes zijn door de broeders van zevensmarten in in het Laurentius gesticht misbruikt ook een groot verdriet voor mij zijn ook al 20 jaar geleden overleden ,Neemt u het mij kwalijk dat ik u heb geschreven ik zag dat u ook erg begaan bent met de mensen van 1940-1945 dank u wel daar voor ???????????????????

J d H