Ik leerde vooral om onzichtbaar te zijn

Schrijnend heimwee

Een gewone jeugd heeft Anna (1934) nooit gehad. Maar dat ze op haar 5e gescheiden werd van haar moeder en in een tehuis terechtkwam, was volgens haar niet nodig geweest. De oorlogsjaren in het tehuis waren zwaar, ze had er helemaal niets en raakte zwaar ondervoed. Anna bewaart dan ook geen enkele positieve herinnering aan die periode. Op haar 9e komt Anna bij haar moeder terug in een huis vol met onderduikers. Ze kende een lagere schooltijd getekend door honger, eenzaamheid, pijn en angst. ‘Ik leerde vooral om onzichtbaar te zijn.’ Een manier om te vluchten en / of te overleven.

‘Een echt gezinsleven kan ik me niet herinneren. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 2 jaar oud was en ik woonde alleen met mijn moeder boven een café aan het Thorbeckeplein in Amsterdam. Het was een krappe etage, ik sliep vaak op een matrasje in de badkuip. Mijn moeder had een relatie met de eigenaar van die bar, een aardige man. Ik had een broer die elf jaar ouder was. Hij zat op de Pollux, een opleidingsschip voor de koopvaardij dat in de Amsterdamse haven lag. In 1940 werden die jongens bij de marine ingedeeld. Hij is naar Engeland verhuisd en pas een jaar of tien geleden heb ik hem weer voor het eerst gezien toen hij hier ineens voor de deur stond.’

‘Ik was een echt straatkatje. Ik speelde veel op het Thorbeckeplein waar de portiers van de cafés – in hun mooie uniformen -, de animeermeisjes en de vaste klanten zich om me bekommerden. Ik kwam er in contact met veel bijzondere types. Dat was leuk en het voelde veilig. Er speelden ook wel andere kinderen op straat, maar die moesten naar binnen zodra het donker werd. Aan de andere kant van het plein was het Rembrandtplein, maar daar kwam ik eigenlijk niet. De grens lag zo’n beetje op de hoek bij Ruteck’s, de bekende lunchroom. In de oorlog veranderde er wel één en ander, er kwam bijvoorbeeld een schuilkelder op het Thorbeckeplein.’

‘Ik heb eigenlijk alleen warme herinneringen aan die jaren tot mijn 5e jaar. Anderen dachten blijkbaar anders over mijn kindertijd. Ze moeten mijn moeder hebben aangesproken dat ze haar dochtertje verwaarloosde en dat het Thorbeckeplein geen goede omgeving was om een kind groot te brengen. Misschien was het een oudere zus van mijn moeder die in actie kwam, die was directrice van het Burgerweeshuis. Mijn moeder was de jongste van elf kinderen. Ze hadden zich er nooit mee moeten bemoeien.’

Tehuis aan zee

‘Hoe dan ook, mijn moeder heeft me opgepakt en in februari 1940 weggebracht met de tram die helemaal doorliep naar de kust. Daar leverde ze me af bij een kindertehuis, een groot gebouw in Zandvoort. De gevel van beton met kiezels deed me altijd denken aan een olifantenhuid. Ik was er totaal niet op voorbereid, ik zat er met niets en niemand. Dan moet je maar zien dat je je aanpast. Ik ben er ruim vier jaar gebleven.’

‘Ik was de jongste van een groep jongens en meisjes tussen de 5 en 12 jaar. Er zaten ook joodse kinderen in het tehuis. Pas na de zomervakantie mocht ik naar de lagere school vijf minuten verderop, de enige plek waar je contact had met andere kinderen dan die van het tehuis.’
‘De leidsters die een blauwe jurk en wit schort droegen, noemden wij “zusters”. Alles ging er collectief, wassen, plassen, eten, naar bed gaan. Je vrij bewegen door het gebouw, daar was geen sprake van. In bed moest je je handen boven de dekens vouwen. Bedplassers werden met hun natte laken op de gang gezet. Kinderen die wegliepen en weer opgepakt werden, sloten ze op in de bezemkast. Af en toe kregen we werkjes, zoals schoenen poetsen.’

slaapzalen

‘Iedereen had een eigen kastje. Het mijne was nummer 19. Het was leeg, ik had helemaal niks van mezelf. Pas toen ik een jaar of 16 was, kreeg ik voor het eerst iets van mezelf, kleren waar een ouder nichtje uitgegroeid was. Er was daar niets, je raakte eraan gewend. Ik ben er goed in geworden om in tijden van nood de gaten in het net te vinden. Wat ik er ook van over heb gehouden, is altijd ergens controleren waar de vluchtroutes zijn. Ik was vaak bang. Vanwege de oorlog was het ’s avonds pikkedonker. Af en toe zag je lichtbundels of hoorde je vliegtuigen, daar was ik als de dood voor. ‘

Ernstig ondervoed

‘We zaten op leeftijd aan tafel, ik helemaal op het eind. Het eten kwam in van die grote nikkelen pannen. Dat begon aan het andere eind van de tafel. Als ze bij mij en de andere jongste kinderen kwamen, waren ze zowat leeg. Ik ben daar dramatisch ondervoed geraakt. Soms kregen we bijvoeding in de vorm van broodpap. Dat vond ik zo smerig dat ik dacht “ik ga nog liever dood dan dat op te eten”. Omdat ik zo weinig woog – ze noemden me “draadje” – mocht ik niet achterop de fiets, de kans dat ik eraf zou vallen was gewoon te groot. Ik wilde nooit mee als er gewandeld werd, omdat ik dan nog vermoeider zou worden dan ik al was.’

‘Door de ondervoeding kreeg ik grote gele zweren op mijn knieën en ellebogen. Daar wist de directrice wel raad mee. Iedere zondagochtend luidde de bel en dan riep één van hen “verbandkamer”. Dan moesten de kinderen die wat hadden daar naartoe. Een zuster had een verbandje, pakte daarmee een zweer vast en draaide die zonder pardon uit de huid. Dat was vreselijk pijnlijk en maakte de wond alleen maar erger. Tot mijn 40e heb ik last gehouden van littekens op mijn ellebogen, een soort permanente herinnering aan het tehuis.’

‘Op zondag was het bezoektijd. De kinderen stonden dan op krukjes voor de souterrainramen te kijken of er iemand voor ze kwam. Mijn moeder kwam eens in de drie maanden langs. Er waren kinderen bij die altijd vergeefs stonden te wachten. Eén keer was er een mijnheer voor mij. Hij zei dat hij mijn vader was en gaf me een vierkantig stoffen speelgoedhondje. Toen hij weg was, moest ik dat meteen aan een zuster geven. Ik heb het nooit meer teruggezien.’

‘Die zusters waren er nooit voor jou, ik kan me geen enkel persoonlijk gesprek herinneren. En de directrices waren van die theemutsachtige vrouwen bij wie je uit de buurt probeerde te blijven. Vriendinnetjes had ik in het tehuis niet. Ik gedroeg me zo onopvallend mogelijk, wat in zo’n groep niet zo moeilijk is. Ik heb in de oorlog geleerd om niets te zeggen. Zelfs later wilde ik mijn naam niet zeggen als iemand vroeg “hoe heet je?”. Dat is toch raar? Ik had geen benul van de juiste verhoudingen. Er is niets wat ik als positief herinner van het tehuis. Boven alles had ik een schrijnend heimwee naar het Thorbeckeplein. ‘

Leven met onderduikers

‘Dat ik in 1944 terugging naar mijn moeder in Amsterdam was waarschijnlijk een geldkwestie. Ze kon de kosten van het tehuis niet meer betalen. Ze was verhuisd van het Thorbeckeplein, maar woonde inmiddels in het huis van joden die ze goed kende en die haar gevraagd hadden om op hun huis en kostbaarheden – ik meen sieraden en een postzegelverzameling – te passen. Het was een bovenwoning aan de Nassaukade. We hadden onderduikers, soms wel zes tegelijk. Ik herinner me Max, Noes en oom Ab, die was gehandicapt en las me voor uit Karl May. Ik wist dat ze in gevaar verkeerden. Mijn moeder had me opgedragen niets tegen anderen te zeggen en geen vriendinnetjes mee naar huis te nemen. Als me wat gevraagd werd, moest ik antwoorden “dat weet ik niet, vraag het maar aan mijn moeder”.’

‘Mijn moeder had voor de oorlog een sigarenzaakje gehad en kende daardoor andere handelaren. In de oorlog had ze een handeltje in krenten en rozijnen. Die ruilden we tegen ander voedsel, zoals maggiblokjes, of ik moest ze in kleine pakjes rondbrengen. Van ieder pakje nam mijn moeder na het afwegen één rozijn en als ze er genoeg had, gebruikte ze die om een taart te bakken. Als je het zo achter elkaar zet – het Thorbeckeplein, het tehuis en dat adres met die onderduikers – dan heb ik als kind nooit een gewoon gezin meegemaakt.’

‘De joodse onderduikers en wij zijn op een gegeven moment naar Friesland gevlucht toen er in onze straat een vliegtuig neerstortte en er veel Polizei op de been was. Tijdens de oorlog dook mijn vader ook weer op. Ik heb hem toen een keer of drie gezien. Hij had zich aangesloten bij het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps, dat leverde chauffeurs voor Duitse konvooien. Hij wilde dat ik me inzette voor de Winterhulp [nationaalsocialistische organisatie voor maatschappelijke hulp]. Mijn moeder vroeg hij om met hem te hertrouwen. Ze weigerde.’

Twee universitaire studies

‘Na de oorlog ben ik met mijn moeder teruggegaan naar haar huis. Daar ben ik tot mijn 19e gebleven. Na de lagere school heb ik, denk ik, de ulo gevolgd, dat was voor mij te makkelijk. Op mijn 15e moest ik meteen gaan werken. De verhouding met mijn moeder was moeizaam, ik was heel bang voor haar. Voor mijn belang als kind had ze geen aandacht. Zij had een relatie met een zwarthandelaar die zwaar alcoholist was. Geloof me, niets is erger dan een alcoholistische huisgenoot. Als mijn moeder genoeg van hem had, moest hij maar bij mij in bed gaan liggen. Wie doet nou zoiets? Goed, hij verkrachtte me niet, maar hij hield zijn handen ook niet thuis. Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar ik was zo gelukkig toen hij ernstig ziek bleek en doodging. Dat was een geschenk uit de hemel. Het waren vreemde jaren. Als kind wist ik alles van de onderwereld, maar van het gewone leven wist ik niks.’
‘Ik ben van schrik getrouwd en heb vier kinderen gekregen. Na de scheiding van mijn man heb ik gebroken met mijn moeder. Ik was 35 en meldde me aan voor de sociale academie. Na mijn afstuderen kreeg ik de vraag of ik me wilde specialiseren voor de jeugdzorg of het maatschappelijk werk. “Alles liever dan dat”, was mijn antwoord. In plaats daarvan ben ik aan de universiteit sociale wetenschappen gaan studeren, later nog gevolgd door een studie kunstgeschiedenis en een schildersopleiding. Schilderen doe ik nog steeds.’
‘Ik zou mijn kinderen nu anders opvoeden. Mijn zoon heeft wel eens gezegd dat het me onverschillig leek wat de kinderen deden. Dat was niet zo, maar ik liet alles toe, omdat ik zelf niets mocht als kind. Ik ben omwille van de kinderen zelfs naar het platteland verhuisd, terwijl ik een echt stadsmens ben.’
‘Nergens ingebed zijn, dat is het overheersende gevoel dat ik van mijn jeugd en vooral de tehuisjaren heb overgehouden. Ik ben goed in iets wegduwen, vergeten en ontkennen, mezelf onzichtbaar maken. Het tehuis is voor mij vooral angst. Ik werd bang voor niks, bang voor alles.’ ‘De dood van burgemeester Van der Laan heeft me enorm aangegrepen. Het bracht ineens een sluimerend heimwee naar Amsterdam en het Thorbeckeplein naar boven. Ik weet natuurlijk dat het daar nu totaal anders is. Maar dat ik uit Amsterdam ben weggegaan is het enige besluit waar ik echt spijt van heb, hoe ik het ook naar mijn zin heb in de buurt en stad waar ik nu woon.’

Om redenen van privacy zijn namen van personen, instellingen en locaties in dit interview aangepast.

Piemeltje eraf

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Jan Klos (1939) in een kindertehuis samen met een broertje en een zusje. Van de oorlog merkten ze weinig omdat ze niet buiten mochten spelen. De herinnering aan twee vreselijke vernederingen is hij echter nooit meer kwijtgeraakt.

Jan is in 1939 geboren als vijfde van zes kinderen. Zijn vader heeft een transportbedrijf in het noorden van Noord-Holland. In de oorlog moet hij zijn auto’s afstaan aan de Duitsers waardoor het vrijwel onmogelijk wordt het bedrijf in stand te houden. In 1941 scheiden Jans ouders. Als Jan, later tijdens de oorlog, op een dag met zijn zus en broer thuiskomt, zit zijn broertje in de box en liggen er drie bananen op tafel plus een briefje van zijn moeder met de boodschap dat ze naar de buurvrouw moeten gaan. Hun moeder is met haar jongste dochter met onbekende bestemming vertrokken. Later blijkt dat ze in Groningen zit waar de op één na oudste broer van Jan zich bij haar zal voegen. De oudste is het huis al uit, hij is bij familie in de kost en volgt daar een opleiding. Hun vader had zijn vrouw en kinderen toen al verlaten en niemand weet waar hij dan is.

Traumatische gebeurtenissen

Jan, zijn broer en zijn zus worden diezelfde nacht nog afgeleverd bij het plaatselijke ziekenhuis. Van daaruit verhuizen ze naar een kindertehuis in het midden van het land. Daar verblijven zo’n 30 tot 40 kinderen, van alle leeftijden. De oudsten zijn een jaar of 16, 17. Al kort na aankomst maakt Jan daar twee traumatische gebeurtenissen mee die hem de rest van zijn leven zijn blijven achtervolgen.
Jan heeft in zijn broek gepoept. De leidsters zijn kwaad en zeggen dat ze hem dat wel even af zullen leren. Met zijn tweeën nemen ze hem en zijn zusje mee naar een flinke badkamer waar zich een badkuip en een grote werktafel bevinden. Ze laten koud water in het bad lopen. Jan moet zich uitkleden en wordt op de tafel gezet. De ene leidster houdt hem vast terwijl de ander de poepbroek in haar handen heeft en naar zijn gezicht brengt. ‘Opeten’, beveelt ze. De jongen weigert. ‘Opeten’, herhaalt ze het bevel terwijl ze de broek hardhandig in zijn mond duwt. Jan heeft geen keus. Vervolgens pakken de twee leidsters hem vast en dompelen hem langdurig onder in het koude water. ‘Ik zag de bloemen van de dood, dat was prachtig, ik stierf bijna een verdrinkingsdood.’ Dat gebeurt een keer of drie. Al die tijd zit zijn zusje in een hoekje en is ze er getuige van hoe de leidsters Jan ‘zijn lesje leren’.
Bij de tweede gebeurtenis is ook zijn broer betrokken. Jan slaapt met hem in een bed op een grote slaapzaal. ’s Nachts plast Jan in bed en dat wordt ontdekt. De twee leidsters jagen hem het bed uit en maken alle kleine jongens wakker. Iedereen moet naar beneden waar ze Jan op de tafel zetten. De ene leidster trekt zijn broek naar beneden, de andere komt naar hem toe met een groot mes. ‘Als je nog een keer in bed plast dan ga ik het gebruiken jongen en dan snij ik je piemeltje eraf.’ Ze ondersteunt haar woorden met een snijdend gebaar.
Jan en zijn broertje en zusje hebben tot het eind van de oorlog in het tehuis gezeten. ‘Van de oorlog merkten we niets. Ik geloof niet dat we ooit buiten mochten spelen. Ik weet nog wel dat we direct na de bevrijding als kinderen onder een luifel op een rijtje werden gezet en moesten toekijken hoe er een kar voorreed met daarop allemaal vrouwen die vervolgens kaalgeschoren werden. We hadden geen idee wat dat te betekenen had.’

Licht voor mijn huis

Terug naar huis

Van hun ouders hebben de kinderen al die jaren niets gehoord. Bezoek is niet toegestaan. Een keer staan er twee tantes buiten naar hen te zwaaien herinnert Jan zich. Ze mogen niet naar binnen. Tijdens de oorlog hertrouwt hun vader. Hij zet zijn transportbedrijf weer op en krijgt in 1945 of 1946 de keuze: zijn kinderen terugnemen of hen afstaan aan kinderloze echtparen. Hij kiest voor het eerste. ‘Mijn tweede moeder was een geweldige vrouw’, zegt Jan, ‘met haar kreeg mijn vader nog twee kinderen, mijn halfzus en halfbroer’.

Jans broer die met zijn moeder is meegegaan naar Groningen staat op een dag voor de deur en voegt zich bij het nieuwe gezin van zijn vader. De oudste broer blijft bij familie in de kost, terwijl het jongste zusje van Jan bij haar moeder woont. ‘Ik heb jarenlang geen contact met haar gehad. Later is dat gelukkig goed gekomen.’

Pas als hij 12 is, ziet Jan zijn biologische moeder weer. Zijn oudere broer neemt hem mee op een fietstocht. Ze komen in een dorp dat Jan niet kent waar zijn broer zegt ‘hier gaan we koffie drinken’. Dat blijkt bij hun moeder te zijn. ‘Het was een vreemde voor me, ik voelde er helemaal niets bij.’

Thuis hebben ze het niet breed. Als Jan 7 jaar oud is, valt hij van een paard en wagen. Hij ligt ruim twee maanden in het ziekenhuis op de rand van leven en dood. Hij redt het. Na de lagere school moet hij meteen meewerken in het bedrijf van zijn vader. ‘Ik moest bijvoorbeeld bij boeren koolplanten halen en die naar een zuurkoolfabriek brengen.’ Als het bedrijf niet meer rendabel is, begint zijn vader met de exploitatie van een kermisattractie. ‘Van die schommelschuitjes. Ik moest mee van de ene naar de andere kermis, opzetten en weer afbreken. Ik vond het vreselijk.’ In één van die plaatsen loopt plots zijn moeder langs. ‘Ze toonde geen spoor van emotie’.

Het kermisleven houdt op voor Jan toen hij in dienst moest. ‘Toen ik afzwaaide, vertelde ik mijn vader niet terug te willen in het bedrijf. Ik kon meteen opstappen.’ Hij kan gelukkig intrekken bij zijn latere schoonouders. Zijn verloofde is enig kind en in het huis is plaats genoeg.
Na een paar fabrieksbaantjes komt Jan terecht in een kruidenierszaak die hij later over kan nemen. Er volgt een carrière bij een kruideniersketen waar Jan opklimt tot filiaalleider en regiomanager. Hij heeft het erg naar zijn zin. Toch kiest hij op zijn 35e voor een nieuwe loopbaan als bewaarder in een penitentiaire inrichting. In verschillende instellingen werkt hij de volgende 25 jaar als bewaarder, hoofdbewaarder, brigadier en afdelingshoofd. ‘De omgang met heel verschillende mensen was het mooiste aan dat werk. Ik heb nooit een klap gehad. Soms kom ik nog wel eens iemand tegen die roept: “Hé Jan, ken je me nog? Ik heb bij jou in de bajes gezeten!” Het was een heerlijke tijd.’

Taboe-onderwerp

Over de jaren in het kindertehuis wordt in de familie niet gesproken. Aan hun vader en stiefmoeder vertellen de kinderen nooit wat ze hebben meegemaakt. Ook onderling is het onderwerp taboe. Jan: ‘Mijn zus praatte er niet over. Ik weet van haar alleen dat ze op haar vingers werd geslagen als ze de aardappels volgens de leidsters niet goed geschild had. Mijn broer heeft ongetwijfeld ook vervelende dingen meegemaakt, maar als we het over het kindertehuis hadden, barstte hij steeds in huilen uit, ook toen hij al lang volwassen was.’

Zijn broer heeft ooit het adres van een van de leidsters achterhaald. ‘We hebben er verder niets mee gedaan. Ik had geen behoefte om verhaal te gaan halen. Maar waarom die vrouwen ons zo behandelden, dat heb ik nooit begrepen en zal ik nooit begrijpen. Hulp heb ik nooit gezocht. Ik kan er nu wel over praten. De beelden komen dagelijks terug, je weet nooit tevoren wanneer en waarom. Dan sta ik weer in die badkamer van het tehuis of in de zaal beneden. Gelukkig heb ik mijn hobby’s. Als die gedachten opkomen, ga ik timmeren of in de tuin werken.’

Licht op…Margriet Biemans Sitton

Via FaceBook schreef Margriet Biemans Sitton me onderstaande mail. Wat me treft in haar verhaal is dat er altijd wel een reden te vinden is voor de Nederlandse staat om erkenningen en genoegdoening te ontlopen en hun kop in het zand te steken. Altijd moet het verhaal kort zijn, een politieke soap, het mag niet te lang duren want ’time is money’, marketing voor de media, en voor je het weet word je terug gezet in Niemandsland. Je moet je dus profileren en als je niet al te veel kleur heb, ben je ‘een nobody’. Mevr.Samson is een upper class bitch, die hooghartig neer kijkt op al die klagende slachtoffers. Zij heeft in ieder geval goed betaald gekregen voor haar onderzoek wat aan alle kanten rammelt. Het ontbreekt haar ten ene male aan menselijkheid, aan warmte en solidariteit (een aangekoekt begrip uit socialistische hoek).

Micha de Winter en zijn team vind ik daartegen integere onderzoekers en hij heeft gelijk wat betreft de ‘bezette staatkundige’, toestand van ons land maar waar hij niet overheen wil (uit)glijden is dat de instituten als de instellingen bestuurd werden door Nederlandse katholieke aanverwante organisaties. In afschuiven zijn sommige commissies goed in, daarvoor krijgen ze de juiste opdracht mee.

Het is een schande dat Margriet Biemans Sitton zo veel te lijden had van de voogdij sadisten, de oorlog begon gelijk gruwelijk door haar en haar twee broertjes weg te halen uit het gezin dat niet voldeed aan Christelijke normen (vloeken?). Inderdaad Margriet uw verdriet is nooit verjaard en zeker niet wanneer het nooit omarmd wordt. Ik was erbij toen ze haar verhaal deed bij de Cie. Samson in Den Haag. Een fantastische mens, nu haar verhaal:

Beste BertSmeets Ik ben maar zo vrij om u te schrijven Ik ben margriet Biemans Sitton geboren 4 maart 1935 ben in 2012 bij de prezentatie geweest van het slechte boek van het onderzoek naar het misbruik van Deetman ! Mevrouw Samson was de volgende onderzoekster De zaal was vol met lotgenoten mensen mochten in het kort hun verhaal vertellen detranen stroomden over mijn wangen nam de moed op door mijn maatje naast mij die zij vooruit doe ook je verhaal dat deed ik ook maar werd afgestraft door Samson Dat ik was verjaard met de mensen van voor 1945 werd niets gedaan,Waar ik op antwoorden Mevouw ik ben wel bejaard maar mijn verdriet is niet verjaard , Mijn geschiedenis is dat ik in1940 met mijn twee broertjes door de voogdij bij onze moeder zijn weggehaald en naar pleeggezinnen zijn geplaatst de jongens waren daar niet zo lang maar ik ging naar limburg 6 jaar daar heb ik het een jaar goed gehad Twee jaar misbruikt en drie jaar zwaar mishandeld ! Heb nu 6 jaar gevochten met de politiek met veel lieve mense met lotgenoten het schadefonds gewelds misdrijven hebben mij schandelijk behandeld heb te veel om allemaal nu op te schrijven Meneer de Winter is hier bij ons thuis geweest 3 uur naar mijn verhaal geluisterd dus ik dacht werkelijk hij gaat het voor ons in orde maken wij waren nog met een paar mensen van voor de twede wereldoorlog geboren Maar wat hij mij toen toen vertelden !! Dat hij niets voor onze groep kon doen want wij stonden in de jaren 1940-1945 onder het bewind van de Duitsers !! Daar ben ik echt ziek van geweest Maar hi wilden wel wat voor ons doen het boekje met 10 verhalen laten maken ! Daar wilde ik niet aan mee doen want ik zei hem ook wij willen erkent worden ik vind dat wij gewoon gediscrimineerd zijn ,Het boekje is er met 9 schrijnende droevige verhalen ik ken een aantal mensen heb 6 jaar brieven naar den Haag geschreven teveel om op te noemen wat wij allemaal gedaan hebben Met medewerking van mijn lieve man die mij vanaf mijn 17 jaar geholpen heeft mijn maatje mijn lieve man waar ik dit jaar 60 jaar mee gtrouwd zou zijn de liefste Vader en Opa Is op 8 november na een openhart operatie die goed was verlopen maar aan een longonsteking is overleden de kinderen zijn erg lief iedereen probeerd mij te helpen maar het is vreselijk mijn man is er niet meer ik ben ontoostbaar hij kan dat mishandelde kind wat in mij zit niet meer helpen ik moet het zelf doen ik moet sterk zijn voor onze kinderen die willen hun moeder niet kwijt ook mijn twee broertjes zijn door de broeders van zevensmarten in in het Laurentius gesticht misbruikt ook een groot verdriet voor mij zijn ook al 20 jaar geleden overleden ,Neemt u het mij kwalijk dat ik u heb geschreven ik zag dat u ook erg begaan bent met de mensen van 1940-1945 dank u wel daar voor ???????????????????

J d H

Jehova #metoo

Tijdens een muziek festival op Vijverdal / Mondriaan stichting sprak ik een zekere Linda Jehova getuige die misbruik had meegemaakt. Uiteraard heb ik ruim met de vrouw gesproken en haar gegevens genoteerd zodat wij er aandacht aan zouden kunnen besteden op ons blog.

Helaas, geen contact sindsdien. De geruchten over misbruik bij de Jehova’s blijven echter doorgaan en nu respecteren wij de slachtoffers door ze een hart onder de riem te steken.

De organisatie Jehovah’s Getuigen in Nederland heeft jarenlang verslagen van beschuldigingen van seksueel kindermisbruik achtergehouden. Dat meldt RTL Nieuws. Slachtoffers vrezen dat de verslagen worden vernietigd en dat daarmee bewijsmateriaal verloren gaat.

De Jehovah’s Getuigen hebben een eigen soort rechtbanken, commissies met ‘ouderlingen’ binnen het genootschap. Zij vellen een oordeel over misstappen die leden van de beweging plegen. Het zijn geen zware straffen: de maximale straf is verbanning.

Volgens RTL liggen er tientallen of mogelijk honderden verslagen van interne rechtszaken in de archieven van Jehova’s Getuigen. Die bestaan uit zaken van Jehova’s Getuigen die beschuldigd worden van seksueel misbruik, met details of zelfs bekentenissen. Maar de documenten worden niet gedeeld met de politie. Dat is niet het beleid van de gemeenschap.

aangifte doen

Geen aangifte

Het Openbaar Ministerie heeft nog geen onderzoek lopen naar het misbruik, omdat er geen aangiftes zijn gedaan. In een verklaring zegt het Openbaar Ministerie dat slachtoffers van misbruik zelf bepalen of ze aangifte doen. “Mochten die aangiftes op een later moment volgen, dan zullen politie en OM die in behandeling nemen.” Volgens de Jehovah’s Getuigen zijn slachtoffers van misbruik “vrij” om aangifte te doen.

Raymond Hintjes van de stichting Reclaimed Voices, die opkomt voor de belangen van slachtoffers, zegt dat inmiddels zo’n 220 meldingen van misbruik zijn binnengekomen. “We hebben vorige week met het OM gesproken en aangekondigd dat er aangiftes volgen, binnen nu en een week of twee”, zegt hij. Volgens Hintjes gaat het om zeker vijf aangiftes. “We hopen dat het OM door dit verhaal alsnog in beweging komt.”

Hintjes zegt dat het voor veel slachtoffers lastig is om aangifte te doen. “De vraag is of zij een heel proces willen ingaan, terwijl zij het voor zichzelf hebben afgesloten.” De vrees dat verslagen worden vernietigd is gebaseerd op ervaringen bij andere Jehova’s-afdelingen in de wereld, stelt Hintjes. “Dat is op verschillende plekken gebeurd, bijvoorbeeld in Australië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.”

‘Extra probleem’

De advocaat van de slachtoffers, Nico Meijering, roept via RTL Nieuws de Jehova’s op om de documenten alsnog te overhandigen aan het OM. “Laat het niet zo ver komen dat ze ook nog eens zo dom zijn om bewijsmateriaal te gaan vernietigen. Dan hebben ze een extra probleem aan de broek.

Goedkope arbeidskrachten

Maagden meisjes aan het werk

‘Niet meer dan een goedkope arbeidskracht’, ofwel gevolg scheiding kerk en staat’.

In 1930 werd Fred als 3 jarige peuter uit huis geplaatst en ondergebracht bij een liefdevolle boerenfamilie. In de oorlogsjaren woont Fred bij een ander boerengezin waar hij het heel slecht had en waar hij keihard moest werken. ‘Ik gun het mijn grootste vijand niet zoals ik behandeld ben.’ Fred is dit jaar 90 geworden, maar sommige herinneringen uit de jaren 1934 -1941 toen hij in zijn tweede pleeggezin verbleef, emotioneren hem nog steeds.

Fred (1927) is de op een na jongste uit een gezin met drie jongens en twee meisjes. In 1930 worden alle kinderen uit huis geplaatst nadat bij de (voogdij)vereniging ‘Tot Steun van Verwaarloosden en Gevallenen’ in Amsterdam een tip is binnengekomen dat er in het gezin ‘iets niet pluis is’. Waarschijnlijk is er sprake van verwaarlozing. Fred hoort later dat hij als 3-jarige nog niet lopen kan.

Ver weg van de grote stad worden Fred en zijn oudste broer ondergebracht bij een boerengezin in de Gelderse Achterhoek. De andere drie kinderen komen ergens anders terecht. De pleegouders van Fred en zijn broertje behandelen hen hetzelfde als hun eigen kinderen. ‘Dat waren er een stuk of vijf, zes’, blikt Fred bijna 85 jaar later terug. ‘We hadden het er wel naar onze zin. Ik herinner me nog dat ik als een boerenjongen op klompen naar de eerste klas van de lagere school ging. Mijn broer en ik hadden in die tijd geen contact met onze zussen en andere broer. Totdat een oudere zus een keer langskwam en vond dat we daar weg moesten. Ze vond het er vies. Er stond een stapel boterhammen op tafel en door alle vliegen kon je niet zien of het wit of bruin brood was. Ons deerde dat niet, we waren dat wel gewend.’

Zware kinderarbeid

Wat ook de reden geweest moge zijn, in 1934 – Fred is dan 7 jaar oud – vertrekken hij en zijn broer naar een ander gezin, dat van een gereformeerde boer in de buurt van Apeldoorn. Zijn broer verkast na een paar jaar naar het pleeggezin van zijn andere broer om daar te gaan werken. ‘Ik heb hem daarna nooit meer gezien.’

‘In het tweede pleeggezin was het heel slecht’, aldus Fred. ‘Ik moest er keihard werken als ik uit school thuis kwam en later ook steeds meer voor schooltijd. Ik weet bijvoorbeeld nog dat ik de mestkar vol moest laden, het paard ervoor spannen en dan paard en wagen naar het land brengen. Dat was heel zwaar voor een jongen van zeven. Op het land moest ik ook ‘knollen trekken’, met de blote hand bieten uit de grond halen. Ik voel nog de ijskou van winterdagen, ik probeerde dan mijn bevroren handen warm te slaan tegen mijn schouders. En iedere dag schoenen poetsen en een berg aardappelen verwerken: een grote teil koken voor de varkens en de rest schillen voor het gezin. Als ik ze te dik schilde of de pitten te ruim verwijderde, dan kreeg ik schillen en pitten te eten. Toen ik wat ouder was, moest ik al om half zes op om ook nog eens kranten rond te brengen. Van het geld mocht ik zelf niets houden. Hun eigen kinderen, een jongen en meisje, heb ik nooit zien werken. Die werden op handen gedragen.’

Met het streng gereformeerde geloof van de boeren heeft hij niet veel op. ‘Op zondag gingen we een of twee keer naar de kerk. Dan kreeg ik nette kleren aan en deden ze alsof ik erbij hoorde. Hetzelfde was het geval als er iemand namens de vereniging Tot Steun op bezoek kwam. Als ik dan opdraafde in mijn mooie pakje leek alles in orde.’ Aan zijn verjaardag besteden zijn pleegouders geen aandacht en speelgoed krijgt hij nooit. ‘Ik weet nog dat ik een keer uitgenodigd was voor de verjaardag van een jongen van school. Ik was helemaal door het dolle heen, wilde al zijn speelgoed uitproberen.’

Alleen aan het hoofd van de school – die toezichthouder voor de vereniging Tot Steun is – laat Fred wel eens blijken dat hij het in het pleeggezin niet naar zijn zin heeft, mishandeld wordt en er het liefst niet meer naar toe wil. ‘Ach jongen, ga maar terug, het valt allemaal reuze mee’, krijgt hij als reactie. ‘Ik hoopte dat hij wat zou doen, maar er gebeurde helemaal niets.’

Voor de boeren is Fred niet meer dan een goedkope knecht. ‘Als ik in hun ogen iets verkeerd had gedaan, kreeg ik klappen.’ Zijn gewoonte om nagels te bijten wordt door zijn pleegmoeder hard afgestraft. ‘Ze sloeg met het heft van een broodmes op de afgebeten nagel en dat zorgde voor een helse pijn.’ Een behandeling waaraan de herinnering hem nu nog emotioneert, is die van de put. ‘Achter het huis was een beerput. Ze haalden de deksel van de put, de boer pakte me vast, hield me boven de put en dreigde me te laten vallen. Zijn vrouw en kinderen keken toe.’ Hoeveel keer precies Fred als kind met de doodsangst geconfronteerd is dat hij in de donkere, stinkende massa zou verdwijnen, weet hij niet. Wel dat het meerdere keren is voorgevallen.

Gunstige wending

Tijdens zijn verblijf in het boerengezin overlijdt zijn pleegmoeder. Voor Fred verandert er pas iets als iemand van de vereniging Tot Steun onverwachts langskomt en het opvalt dat Fred er in zijn kapotte overall verwaarloosd bijloopt. Hij is dan 14 jaar. Besloten wordt hem uit het pleeggezin te halen en hij krijgt de vraag voorgelegd waar hij verder wil werken. Fred antwoordt dat werken in tuinen hem wel trekt. Omdat er geen geld is voor een opleiding, krijgt hij de keuze tussen werken in de glastuinbouw in Boskoop en knecht worden van een tuinman in Voorburg die tuinen aanlegt en onderhoudt. Fred: ‘Ik koos voor het laatste, dat leek me leerzamer en afwisselender. Dat bleek ook zo te zijn. Met de bakfiets reed ik over de drukke weg van Voorburg naar Wassenaar waar we vaak werkten bij grote villa’s waarvan de eigenaren een paar meiden in dienst hadden.’

Opnieuw werkt Fred tegen kost en inwoning, maar in het gezin van de tuinman – er is één dochter – wordt hij fatsoenlijk behandeld. Hij werkt van 7 tot 7, ‘daar zat ik niet mee’ en blijft er ruim vier jaar tot begin 1946. Op zijn 19e gaat Fred in dienst en niet veel later wordt hij uitgezonden naar Nederlands-Indië om deel te nemen aan de politionele acties – ‘daar praat ik niet over’.

In die jaren heeft hij ook weer contact met zijn zussen. Met een zus zoekt hij een keer zijn moeder op die inmiddels gescheiden is van hun vader. ‘Ze was hertrouwd, katholiek geworden en had nog een dochter gekregen, mijn halfzus dus. Later ben ik ook nog naar haar begrafenis geweest, dat was geen mooie ervaring, omdat ik ruzie kreeg met haar familie.’

Zijn jongste zus woont in een pleeggezin waar ze enig kind is en het erg naar haar zin heeft. ‘Ik ben daar ook nog een tijdje in de kost geweest na mijn diensttijd. Ik kon het niet aanzien dat mijn zus wel eens een grote mond tegen haar pleegouders had. Zo was ik geconditioneerd.’
De burgemeester van het dorp waar Fred dan verblijft probeert – zonder succes – werk voor hem te vinden. Op ander vlak heeft Fred meer geluk: hij leert er op de dansvloer zijn latere vrouw kennen met wie hij in 1956 in het huwelijk zal treden. ‘Je moest in die tijd daarvoor nog toestemming van je ouders hebben. Met een kameraad, zijn en mijn vriendin gingen we met de boot van Harderwijk naar Amsterdam om bij mijn vader langs te gaan. Toen ik een paar dagen later weer thuiskwam, lag zijn overlijdensbericht bij de post.’

Sterk karakter

Fred vindt uiteindelijk wel werk. Na korte periodes in een meubelfabriek en als wever in een textielfabriek wordt hij medewerker van de technische dienst van de PTT. Dat bedrijf zal 40 jaar lang zijn werkgever blijven. Tuinieren blijft hij er naast doen, maar dan als hobby, en dat zal hij de rest van zijn leven blijven doen.
Fred en zijn vrouw krijgen drie kinderen en hun huwelijk duurt bijna 60 jaar tot zijn vrouw in 2003 overlijdt. Nu woont Fred in een verzorgingshuis waar hij het erg naar zijn zin heeft. Hij is trots op zijn kinderen en vindt dat hij het als opvoeder niet gek heeft gedaan. ‘Ik kende alleen negatieve voorbeelden. Ik wilde dat mijn kinderen niet zou overkomen wat ik heb meegemaakt. Ik ben trots op wat ze bereikt hebben, zowel privé als in hun werk.’ Met zijn kinderen heeft hij goed contact. Hoewel zijn verblijf in het tweede pleeggezin naar zijn zeggen geen effect heeft gehad op zijn verdere leven, houden de ervaringen hem wel bezig en meer naarmate hij ouder wordt. Daarom vindt hij het goed dat er nu een commissie is bij wie hij zijn verhaal kwijt kan. ‘Ik heb me over die rotervaringen heen gezet. Daar heb je wel een sterk karakter voor nodig en ik durf te zeggen dat ik dat heb. Ik gun het mijn grootste vijand niet zoals ik behandeld ben. Helemaal kwijtraken doe je het niet, je neemt het mee je graf in. Ik denk wel dat er tegenwoordig minder geweld voorkomt in pleeggezinnen maar ik hou toch mijn hart vast wat er gebeurt met kinderen die mishandeld of verwaarloosd worden.’ Hij noemt het Duitse jongetje en zijn zusjes die in de zomer van 2017 op een Nederlandse camping in kommervolle omstandigheden werden aangetroffen en van wie de ouders door de politie meegenomen werden. ‘Ik hoop zo dat ze goed terechtkomen.’