Jehova #metoo

Tijdens een muziek festival op Vijverdal / Mondriaan stichting sprak ik een zekere Linda Jehova getuige die misbruik had meegemaakt. Uiteraard heb ik ruim met de vrouw gesproken en haar gegevens genoteerd zodat wij er aandacht aan zouden kunnen besteden op ons blog.

Helaas, geen contact sindsdien. De geruchten over misbruik bij de Jehova’s blijven echter doorgaan en nu respecteren wij de slachtoffers door ze een hart onder de riem te steken.

De organisatie Jehovah’s Getuigen in Nederland heeft jarenlang verslagen van beschuldigingen van seksueel kindermisbruik achtergehouden. Dat meldt RTL Nieuws. Slachtoffers vrezen dat de verslagen worden vernietigd en dat daarmee bewijsmateriaal verloren gaat.

De Jehovah’s Getuigen hebben een eigen soort rechtbanken, commissies met ‘ouderlingen’ binnen het genootschap. Zij vellen een oordeel over misstappen die leden van de beweging plegen. Het zijn geen zware straffen: de maximale straf is verbanning.

Volgens RTL liggen er tientallen of mogelijk honderden verslagen van interne rechtszaken in de archieven van Jehova’s Getuigen. Die bestaan uit zaken van Jehova’s Getuigen die beschuldigd worden van seksueel misbruik, met details of zelfs bekentenissen. Maar de documenten worden niet gedeeld met de politie. Dat is niet het beleid van de gemeenschap.

aangifte doen

Geen aangifte

Het Openbaar Ministerie heeft nog geen onderzoek lopen naar het misbruik, omdat er geen aangiftes zijn gedaan. In een verklaring zegt het Openbaar Ministerie dat slachtoffers van misbruik zelf bepalen of ze aangifte doen. “Mochten die aangiftes op een later moment volgen, dan zullen politie en OM die in behandeling nemen.” Volgens de Jehovah’s Getuigen zijn slachtoffers van misbruik “vrij” om aangifte te doen.

Raymond Hintjes van de stichting Reclaimed Voices, die opkomt voor de belangen van slachtoffers, zegt dat inmiddels zo’n 220 meldingen van misbruik zijn binnengekomen. “We hebben vorige week met het OM gesproken en aangekondigd dat er aangiftes volgen, binnen nu en een week of twee”, zegt hij. Volgens Hintjes gaat het om zeker vijf aangiftes. “We hopen dat het OM door dit verhaal alsnog in beweging komt.”

Hintjes zegt dat het voor veel slachtoffers lastig is om aangifte te doen. “De vraag is of zij een heel proces willen ingaan, terwijl zij het voor zichzelf hebben afgesloten.” De vrees dat verslagen worden vernietigd is gebaseerd op ervaringen bij andere Jehova’s-afdelingen in de wereld, stelt Hintjes. “Dat is op verschillende plekken gebeurd, bijvoorbeeld in Australië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.”

‘Extra probleem’

De advocaat van de slachtoffers, Nico Meijering, roept via RTL Nieuws de Jehova’s op om de documenten alsnog te overhandigen aan het OM. “Laat het niet zo ver komen dat ze ook nog eens zo dom zijn om bewijsmateriaal te gaan vernietigen. Dan hebben ze een extra probleem aan de broek.

Goedkope arbeidskrachten

Maagden meisjes aan het werk

‘Niet meer dan een goedkope arbeidskracht’, ofwel gevolg scheiding kerk en staat’.

In 1930 werd Fred als 3 jarige peuter uit huis geplaatst en ondergebracht bij een liefdevolle boerenfamilie. In de oorlogsjaren woont Fred bij een ander boerengezin waar hij het heel slecht had en waar hij keihard moest werken. ‘Ik gun het mijn grootste vijand niet zoals ik behandeld ben.’ Fred is dit jaar 90 geworden, maar sommige herinneringen uit de jaren 1934 -1941 toen hij in zijn tweede pleeggezin verbleef, emotioneren hem nog steeds.

Fred (1927) is de op een na jongste uit een gezin met drie jongens en twee meisjes. In 1930 worden alle kinderen uit huis geplaatst nadat bij de (voogdij)vereniging ‘Tot Steun van Verwaarloosden en Gevallenen’ in Amsterdam een tip is binnengekomen dat er in het gezin ‘iets niet pluis is’. Waarschijnlijk is er sprake van verwaarlozing. Fred hoort later dat hij als 3-jarige nog niet lopen kan.

Ver weg van de grote stad worden Fred en zijn oudste broer ondergebracht bij een boerengezin in de Gelderse Achterhoek. De andere drie kinderen komen ergens anders terecht. De pleegouders van Fred en zijn broertje behandelen hen hetzelfde als hun eigen kinderen. ‘Dat waren er een stuk of vijf, zes’, blikt Fred bijna 85 jaar later terug. ‘We hadden het er wel naar onze zin. Ik herinner me nog dat ik als een boerenjongen op klompen naar de eerste klas van de lagere school ging. Mijn broer en ik hadden in die tijd geen contact met onze zussen en andere broer. Totdat een oudere zus een keer langskwam en vond dat we daar weg moesten. Ze vond het er vies. Er stond een stapel boterhammen op tafel en door alle vliegen kon je niet zien of het wit of bruin brood was. Ons deerde dat niet, we waren dat wel gewend.’

Zware kinderarbeid

Wat ook de reden geweest moge zijn, in 1934 – Fred is dan 7 jaar oud – vertrekken hij en zijn broer naar een ander gezin, dat van een gereformeerde boer in de buurt van Apeldoorn. Zijn broer verkast na een paar jaar naar het pleeggezin van zijn andere broer om daar te gaan werken. ‘Ik heb hem daarna nooit meer gezien.’

‘In het tweede pleeggezin was het heel slecht’, aldus Fred. ‘Ik moest er keihard werken als ik uit school thuis kwam en later ook steeds meer voor schooltijd. Ik weet bijvoorbeeld nog dat ik de mestkar vol moest laden, het paard ervoor spannen en dan paard en wagen naar het land brengen. Dat was heel zwaar voor een jongen van zeven. Op het land moest ik ook ‘knollen trekken’, met de blote hand bieten uit de grond halen. Ik voel nog de ijskou van winterdagen, ik probeerde dan mijn bevroren handen warm te slaan tegen mijn schouders. En iedere dag schoenen poetsen en een berg aardappelen verwerken: een grote teil koken voor de varkens en de rest schillen voor het gezin. Als ik ze te dik schilde of de pitten te ruim verwijderde, dan kreeg ik schillen en pitten te eten. Toen ik wat ouder was, moest ik al om half zes op om ook nog eens kranten rond te brengen. Van het geld mocht ik zelf niets houden. Hun eigen kinderen, een jongen en meisje, heb ik nooit zien werken. Die werden op handen gedragen.’

Met het streng gereformeerde geloof van de boeren heeft hij niet veel op. ‘Op zondag gingen we een of twee keer naar de kerk. Dan kreeg ik nette kleren aan en deden ze alsof ik erbij hoorde. Hetzelfde was het geval als er iemand namens de vereniging Tot Steun op bezoek kwam. Als ik dan opdraafde in mijn mooie pakje leek alles in orde.’ Aan zijn verjaardag besteden zijn pleegouders geen aandacht en speelgoed krijgt hij nooit. ‘Ik weet nog dat ik een keer uitgenodigd was voor de verjaardag van een jongen van school. Ik was helemaal door het dolle heen, wilde al zijn speelgoed uitproberen.’

Alleen aan het hoofd van de school – die toezichthouder voor de vereniging Tot Steun is – laat Fred wel eens blijken dat hij het in het pleeggezin niet naar zijn zin heeft, mishandeld wordt en er het liefst niet meer naar toe wil. ‘Ach jongen, ga maar terug, het valt allemaal reuze mee’, krijgt hij als reactie. ‘Ik hoopte dat hij wat zou doen, maar er gebeurde helemaal niets.’

Voor de boeren is Fred niet meer dan een goedkope knecht. ‘Als ik in hun ogen iets verkeerd had gedaan, kreeg ik klappen.’ Zijn gewoonte om nagels te bijten wordt door zijn pleegmoeder hard afgestraft. ‘Ze sloeg met het heft van een broodmes op de afgebeten nagel en dat zorgde voor een helse pijn.’ Een behandeling waaraan de herinnering hem nu nog emotioneert, is die van de put. ‘Achter het huis was een beerput. Ze haalden de deksel van de put, de boer pakte me vast, hield me boven de put en dreigde me te laten vallen. Zijn vrouw en kinderen keken toe.’ Hoeveel keer precies Fred als kind met de doodsangst geconfronteerd is dat hij in de donkere, stinkende massa zou verdwijnen, weet hij niet. Wel dat het meerdere keren is voorgevallen.

Gunstige wending

Tijdens zijn verblijf in het boerengezin overlijdt zijn pleegmoeder. Voor Fred verandert er pas iets als iemand van de vereniging Tot Steun onverwachts langskomt en het opvalt dat Fred er in zijn kapotte overall verwaarloosd bijloopt. Hij is dan 14 jaar. Besloten wordt hem uit het pleeggezin te halen en hij krijgt de vraag voorgelegd waar hij verder wil werken. Fred antwoordt dat werken in tuinen hem wel trekt. Omdat er geen geld is voor een opleiding, krijgt hij de keuze tussen werken in de glastuinbouw in Boskoop en knecht worden van een tuinman in Voorburg die tuinen aanlegt en onderhoudt. Fred: ‘Ik koos voor het laatste, dat leek me leerzamer en afwisselender. Dat bleek ook zo te zijn. Met de bakfiets reed ik over de drukke weg van Voorburg naar Wassenaar waar we vaak werkten bij grote villa’s waarvan de eigenaren een paar meiden in dienst hadden.’

Opnieuw werkt Fred tegen kost en inwoning, maar in het gezin van de tuinman – er is één dochter – wordt hij fatsoenlijk behandeld. Hij werkt van 7 tot 7, ‘daar zat ik niet mee’ en blijft er ruim vier jaar tot begin 1946. Op zijn 19e gaat Fred in dienst en niet veel later wordt hij uitgezonden naar Nederlands-Indië om deel te nemen aan de politionele acties – ‘daar praat ik niet over’.

In die jaren heeft hij ook weer contact met zijn zussen. Met een zus zoekt hij een keer zijn moeder op die inmiddels gescheiden is van hun vader. ‘Ze was hertrouwd, katholiek geworden en had nog een dochter gekregen, mijn halfzus dus. Later ben ik ook nog naar haar begrafenis geweest, dat was geen mooie ervaring, omdat ik ruzie kreeg met haar familie.’

Zijn jongste zus woont in een pleeggezin waar ze enig kind is en het erg naar haar zin heeft. ‘Ik ben daar ook nog een tijdje in de kost geweest na mijn diensttijd. Ik kon het niet aanzien dat mijn zus wel eens een grote mond tegen haar pleegouders had. Zo was ik geconditioneerd.’
De burgemeester van het dorp waar Fred dan verblijft probeert – zonder succes – werk voor hem te vinden. Op ander vlak heeft Fred meer geluk: hij leert er op de dansvloer zijn latere vrouw kennen met wie hij in 1956 in het huwelijk zal treden. ‘Je moest in die tijd daarvoor nog toestemming van je ouders hebben. Met een kameraad, zijn en mijn vriendin gingen we met de boot van Harderwijk naar Amsterdam om bij mijn vader langs te gaan. Toen ik een paar dagen later weer thuiskwam, lag zijn overlijdensbericht bij de post.’

Sterk karakter

Fred vindt uiteindelijk wel werk. Na korte periodes in een meubelfabriek en als wever in een textielfabriek wordt hij medewerker van de technische dienst van de PTT. Dat bedrijf zal 40 jaar lang zijn werkgever blijven. Tuinieren blijft hij er naast doen, maar dan als hobby, en dat zal hij de rest van zijn leven blijven doen.
Fred en zijn vrouw krijgen drie kinderen en hun huwelijk duurt bijna 60 jaar tot zijn vrouw in 2003 overlijdt. Nu woont Fred in een verzorgingshuis waar hij het erg naar zijn zin heeft. Hij is trots op zijn kinderen en vindt dat hij het als opvoeder niet gek heeft gedaan. ‘Ik kende alleen negatieve voorbeelden. Ik wilde dat mijn kinderen niet zou overkomen wat ik heb meegemaakt. Ik ben trots op wat ze bereikt hebben, zowel privé als in hun werk.’ Met zijn kinderen heeft hij goed contact. Hoewel zijn verblijf in het tweede pleeggezin naar zijn zeggen geen effect heeft gehad op zijn verdere leven, houden de ervaringen hem wel bezig en meer naarmate hij ouder wordt. Daarom vindt hij het goed dat er nu een commissie is bij wie hij zijn verhaal kwijt kan. ‘Ik heb me over die rotervaringen heen gezet. Daar heb je wel een sterk karakter voor nodig en ik durf te zeggen dat ik dat heb. Ik gun het mijn grootste vijand niet zoals ik behandeld ben. Helemaal kwijtraken doe je het niet, je neemt het mee je graf in. Ik denk wel dat er tegenwoordig minder geweld voorkomt in pleeggezinnen maar ik hou toch mijn hart vast wat er gebeurt met kinderen die mishandeld of verwaarloosd worden.’ Hij noemt het Duitse jongetje en zijn zusjes die in de zomer van 2017 op een Nederlandse camping in kommervolle omstandigheden werden aangetroffen en van wie de ouders door de politie meegenomen werden. ‘Ik hoop zo dat ze goed terechtkomen.’

Follow the money back

Gisteren schreef ik over oproep Klokk om toestemming (of niet) te geven bij overdracht archieven naar het Nationaal archief, allemaal prima! De dossiers met persoonsgegevens zullen uiterlijk 1 april 2018 worden overdragen aan het Nationaal Archief. Dit ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.

‘Ah’, dat Deetman zinnetje: ‘voor wetenschappelijk onderzoek’, of dat de pijn verzacht. Wij hebben met de adviesraad toch wel wat vergaderingen en brainstormsessies gewijd aan de archieven maar een ding viel op, als ik ter sprake bracht dat wij ongeveer dezelfde meldingen hadden (althans in 2010) als Deetman, zweeg men. Ook daar Deetman zelf zijn eigen archieven wil blijven beheren, draagt hij ze niet over aan het NA vanwaar die stilte als het over deze eerste, prille, waarschijnlijk ruim duizend meldingen / verhalen die naar ons, mea culpa united, gingen?

Waarom is men stil over ons engagement, onze betrokkenheid? Het is natuurlijk een geloofsdingetje van de kerk om mea culpa te desavoueren, ze te kleineren en het liefst te isoleren wat gebeurde toen Klokk zich oprichtte kregen zij aanvankelijk alle steun van Deetman en de kerk / bisschoppen en hield men incidenteel contact (voor het oog van de camera) want in de media kon men niet om ons heen.

Alle verwikkelingen rondom de financiering door Klokk aan MCU hebben wij gerapporteerd. Ook hebben wij iedereen transparant op de hoogte gesteld van het gegeven dat er door het bisdom Rotterdam al voor de subsidiering door het Ministerie van VWS een flinke financiële bijdrage aan Klokk is gedaan. Het komt er dus op neer dat Klokk meer dan euro 1.500.000,00 aan subsidie en de gift van het Bisdom Rotterdam heeft mogen ontvangen.
 .
Wij (MCU) daarentegen hebben niet eens over de volledige subsidie, opgenomen in de begroting van Klokk, kunnen beschikken. Op alle mogelijke manieren zijn wij tegengewerkt door Guido Klabbers. Terwijl deze laatste samen met zijn echtgenote een zeer riant salaris heeft opgestreken en het niet ondenkbeeldig is dat beiden op dit moment ook nog WW ontvangen.
Zoals je misschien begrijpt is het niet te bevatten dat iedereen is betaald voor zijn werkzaamheden (advocaten zijn betaald, leden van de klachtencommissie hebben zeker een vergoeding gekregen) behalve wij MCU en VPKK. De voorzitter van Klokk en zijn echtgenote hebben riante salarissen opgestreken en wij zitten tot de dag van vandaag met financiële problemen doordat wij niet eens de door ons gemaakte kosten hebben vergoed gekregen. Komt nog bij dat bij de totstandkoming van de brief aan de RKK wij weer afhankelijk zijn geweest van de goodwill van Klokk. De brief moest wel zo worden opgesteld dat Klokk geen enkele blaam trof!!!

Dat wij MCU en VPKK met schulden achterblijven is niet te verteren en feliciteren Follow the Money met hun journalistenprijs die het duo heeft gewonnen van Beeld en Geluid!!

Oproep Klokk

Stichting KLOKK beëindigt werkzaamheden per 01-01-2018

Stichting KLOKK heeft bij het uitvoeren van haar taken in het verleden persoonsgegevens van slachtoffers van misbruik Katholieke Kerk verzameld. Het gaat daarbij om contactgegevens, maar ook over het misbruik en gegevens over aangeklaagde(n). Stichting KLOKK heeft de persoonsgegevens alleen gebruikt voor zover dat nodig was voor de begeleiding(hulpverlening) van de betrokkenen en het verzamelen en verstrekken van informatie over kerkelijk kindermisbruik. Omdat, vanaf 1 januari 2018, geen activiteiten meer in de Stichting KLOKK plaatsvinden wordt zij ontbonden. De dossiers met persoonsgegevens zullen uiterlijk 1 april 2018 worden overdragen aan het Nationaal Archief. Dit ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. De overdracht vindt plaats met in acht neming van bestaande wet – en regelgeving. Raadpleging van de dossiers zal na overdracht alleen mogelijk zijn na een schriftelijk verzoek aan het Nationaal Archief. Raadpleging wordt door het nationaal Archief toegestaan: a: voor wetenschappelijk onderzoek, onder voorwaarde van geheimhouding b: door de hoofdpersoon zelf c: in dossiers waarvan de hoofdpersoon daartoe schriftelijk toestemming heeft verleend aan de verzoeker d: in dossiers waarvan de hoofdpersoon aantoonbaar is overleden. De personen waarover in de dossiers persoonsgegevens zijn opgenomen, hebben recht op inzage in de gegevens en kunnen, tot 20 maart 2018, bezwaar maken tegen de overdracht van de gegevens aan het Nationaal Archief. Zij kunnen daartoe contact opnemen met de Stichting KLOKK via informatie@klokk.nl of per post via postadres: Stichting KLOKK p/a Prins Mauritslaan 6 2582 LR DEN HAAG

HULPVERLENING

Hulpverlening kerkelijk kindermisbruik Indien hulp nodig is kunt u contact opnemen met: www.koershuis.eu . Het is een samenwerking van 7 organisaties waaronder VPKK (Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik).Deze organisatie  ondersteunt niet alleen vrouwen maar ook mannen inzake kerkelijk kindermisbruik. Voor het melden en indienen van klachten over kerkelijk seksueel misbruik en/of geweldsdelicten kunt u contact opnemen met het officiële door de Rooms Katholieke Kerk ingestelde meldpunt : www.meldpuntgrensoverschrijdendgedragrkk.nl

PS

MCU zou benadert worden maar is tot op heden niet gebeurt??? Weer ellebogen werk, we gaan 2010 / 2011 niet herhalen!

 

Liefde stond niet op het programma

love balloon

‘Liefde stond thuis en in het tehuis niet op het programma’

Ger Offermans (1940) kwam in de oorlogsjaren als jonge peuter in een kindertehuis terecht, de precieze details van de manier waarop zij daar is mishandeld herinnert zij zich niet meer. Ook van de oorlog zelf herinnert zij zich niet zoveel. ‘Ik heb die herinneringen eenvoudigweg weggestopt, ik ga geen gruwelijkheden verzinnen waarvan ik niet zeker weet dat ze gebeurd zijn.’ Ze is er echter van overtuigd dat de ellende in haar verdere leven voor een groot deel terug te voeren is op wat ze in het tehuis heeft meegemaakt.

‘Ik ben van 1940, de zesde van acht kinderen. Toen ik geboren werd, waren mijn vijf broertjes en zusjes tussen de 3 en 7 jaar oud. Je kunt je voorstellen dat het bij ons thuis een vreselijk drukke en lawaaierige bedoening was. Mijn vader zat in Rotterdam in de katoenhandel, hij kwam op de beurs, had connecties in Twente, Tilburg, maar ook in Amerika en Egypte en was altijd met zijn werk bezig. Toen ik één jaar oud was gingen we verhuizen van een groot huis in Rotterdam naar een dubbel bovenhuis in Den Haag. Waarom dat was, weet ik niet. Ik vermoed dat het met de oorlog te maken had.’

In het begin van de Tweede Wereldoorlog viel het gezin waar Ger toe behoorde uit elkaar. Haar verstandelijk gehandicapte zus verbleef vanaf haar 3e jaar gedurende de hele oorlog in een tehuis. Twee zussen en een broer werden opgevangen op verschillende adressen in Twente (een zus schreef een paar jaar geleden een boekje over haar ervaringen daar). ‘De oudste twee, die 11 en 12 waren, konden ze daar wel gebruiken als goedkope arbeidskrachten denk ik. Ze zouden er zes weken heen gaan, maar dat werd door de oorlogsomstandigheden een jaar.

Opgesloten in kelder

‘Van de oorlog zelf herinner ik me niet gek veel, ik was nog erg jong. Dat we om 8 uur binnen moesten zijn en de ramen geblindeerd waren, dat ik met mijn moeder in de rij stond voor de gaarkeuken en dat mijn moeder tegen iemand met wie ze stond te kletsen, zei: “Stil, het kind hoort te veel” en dat er op het eind van de oorlog Engelse bommen op het Bezuidenhout vielen. Toen ik naar het kindertehuis ging, had ik hongeroedeem. Ik werd er in een bed gestopt en had het idee dat de andere kinderen me als een soort beestje bekeken. Voor mijn verjaardag kreeg ik een poppenhuis, dat was door de anderen binnen de kortste keren vernield. Elkaars dingen kapot maken, slaan en pesten kwam er wel meer voor denk ik.’

‘Veel van wat er in het kindertehuis gebeurd is, heb ik geblokt. Wat ik me wel levendig herinner, is dat ik verschillende keren in de kelder ben opgesloten. Het was geen grote ruimte, er waren planken langs de wand, een kale vloer en een hoge stenen trap. Na een tijd, ik weet niet meer hoe lang, hoorde ik het knarsende geluid van de sleutel waarmee het slot werd opengedraaid. In het trapgat stond een zwarte gestalte groot te zijn. Verdere details heb ik verdrongen. Ik weet nog wel dat ik een paar keer door een open deur een kind vastgebonden zag op een stoel. Dat was als ik door de gang liep op weg naar de wc. Je moest om een sleutel voor de wc vragen en dan van die lange gangen door. Soms vergaten die nonnen blijkbaar om de deur dicht te doen. Ik durfde natuurlijk niet naar binnen te gaan of te blijven staan om te zien wat er aan de hand was. Bij het kindertehuis hoort

14

voor mij ook de geur van sigarenrook en het vage beeld dat ik op schoot moest zitten. Geen aangename herinnering. Wat ik zeker weet, is dat die tijd in dat tehuis een grote en negatieve impact op de rest van mijn leven heeft gehad. Dat is niet zo gek vind ik. Je zuigt dat allemaal op als een spons en je raakt het nooit meer helemaal kwijt.’

Eczeem en hard gillen

‘Ik heb me als kind niet verzet. Je bent meegaand, je kunt nog niet kiezen, je weet niet dat het anders kan, maar kopieert het gedrag van anderen. Ik was volgzaam en had ontzag voor autoriteiten. Het heeft een groot deel van mijn leven geduurd voordat ik met stukjes en beetjes leerde om ‘nee’ te zeggen. Toen ik jong was, werd mij nooit iets gevraagd, ik werd steeds voor voldongen feiten gesteld. Zo moest ik van mijn ouders naar de huishoudschool. Dat vond ik vreselijk, ik wilde naar de mulo. Ik heb later wel de vooropleiding voor het mbo gehaald en ook anderhalf jaar een mbo- opleiding gevolgd.’
‘Toen ik weer thuis ging wonen – ik denk dat ik ruim een half jaar in dat tehuis heb gezeten – begon het slaan, het gillen en het eczeem. Allemaal reacties op wat ik mee had gemaakt. Van huiduitslag heb ik een groot deel van mijn leven last gehad. Als ik ’s avonds in bed lag, begon ik na een kwartier in mijn slaap te gillen. Ik produceerde een heel hoge toon, het klonk als een fluitketel. Het gebeurde ook wel dat ik ging slaapwandelen.’
‘We werden thuis niet geknuffeld. Ons gezin kende geen liefde, het was los zand. Een broer zei een paar jaar geleden tegen me dat we niet gewenst waren geweest, dat mijn ouders niet wisten wat ze met ons aan moesten. En de werkster vertelde me een keer dat mijn moeder me niet normaal vond. Ik denk dat ze me vereenzelvigde met mijn gehandicapte zusje. Zoiets zeiden ze nooit rechtstreeks tegen je.’
‘Wat mijn ouders wél deden, was mij naar de dermatoloog sturen en toen ik een jaar of 8 was naar een kostschool in Limburg. Dat was geen succes, ik heb er hooguit een maand gezeten. De dag dat mijn grootouders begraven werden, werd ik ondergebracht bij een overbuurman, dat was een huisvriend van mijn ouders. Die heeft me toen misbruikt, iets wat ik heel lang ook verdrongen heb. Het zorgde er voor dat ik daarna lange tijd bij sommige vormen van lichamelijk contact helemaal verstijfde. Mijn gevoel van eigenwaarde was in die jaren nul komma nul.’
‘Op mijn 11e kwam ik bij de psychiater terecht, het begin van vele trajecten door de ggz, altijd in privépraktijken. Ik moest drie keer per week naar die man toe en later naar zijn collega, een beroemde psychiater. Wat tekenen en wat praten, maar helpen deed het niet. Op mijn 17e ben ik ook nog eens zes weken opgenomen op de jeugdpsychiatrische afdeling waar hij de leiding over had. Ik was als de dood dat ik elektroshocks zou krijgen. Die waren in die tijd populair maar ik heb ze gelukkig nooit gehad.’

Gebruikt worden

‘Na de huishoudschool heb ik een tijdje tegen kost en inwoning als hulp in de huishouding gewerkt. Op het eerste adres voelde ik me wel op mijn gemak, op het tweede zag de vrouw mij niet zitten en op het derde adres viel de man mij lastig. Daarna heb ik een paar jaar op kantoor gewerkt, administratief en schoonmaakwerk. Voor het laatste was ik niet aangenomen, maar ze verwachtten gewoon dat je dat erbij deed. Ik liet me weer gebruiken.’

15

‘Op mijn 24e ben ik getrouwd, de huwelijksweek was ellendig, mijn man gebruikte me als een object. Met hem kreeg ik drie kinderen. Toen ze klein waren, hebben we in verband met het werk van mijn man een half jaar lang tegen mijn zin in Italië gewoond. Hij had mij niets gevraagd, ik kon daar geen kant op. Na bijna 25 jaar huwelijk nam ik het initiatief voor een scheiding. Dat was een overwinning. Mijn man wilde toen ook de procedure in gang zetten om het huwelijk ook voor de rooms-katholieke kerk te laten ontbinden. Dan moet je voor een kerkelijke rechtbank verschijnen [die kan het huwelijk met terugwerkende kracht ongeldig verklaren; MvL]. Ik dacht “ik heb toch niets op mijn kerfstok, laat maar gaan”. Mijn man moest twee keer komen. Het huwelijk is toen ook voor de kerk ontbonden, wat ik niet zo belangrijk vond. Over de ellende in het tehuis heb ik mijn man en kinderen nooit iets verteld.’

Hekel aan huichelaars

Meer dan van de ggz-hulpverlening had Ger baat bij de steun die ze ondervond van een lotgenotengroep van mensen die op verschillende manieren geleden hebben onder de oorlogsomstandigheden. ‘Daar heb ik zo’n 20 jaar aan deelgenomen en met een kleine groep van zo’n zes mensen heb ik nog steeds contact. Dan gaat het alleen heel soms nog over de oorlog.’ Ook heeft ze veel gehad aan Joost, een alternatieve hulpverlener die haar onder hypnose bracht. ‘Als de gangbare methoden niet helpen, ga je op zoek naar alternatieve manieren om erachter te komen wat je precies dwars zit.’

‘Een aantal jaren geleden heb ik onder hypnose iets meegemaakt wat met het tehuis en met mijn vader te maken had. Ik was aan het lopen en kwam in een grot waar allerlei werktuigen lagen, onder andere een zware, hydraulische boor. Joost zei tegen me dat ik die op moest pakken. Mijn handen trilden, zo zwaar was die. Hij moedigde me aan de boor te gebruiken en het lukte me om een gat in de muur te boren. Daardoor kwam ik terecht in een lange, geplaveide kloostergang. Er waren ramen waardoor licht viel, het was niet angstig. Ik kwam in een keuken waar ik eten kreeg, vervolgens in een kerkruimte die naar en bedreigend was. Voor me stond een man naar wie ik toe moest lopen en die vijandig voelde. Ik was verstijfd totdat mijn hulpverlener zei dat ik moest proberen mezelf boven de situatie uit te tillen en er als het ware van bovenaf naar te kijken. Dat lukte en later zag ik het verband met mijn vader. Die angst aanjagende man droeg dezelfde pij als mijn vader. Je moet weten dat mijn vader in een Franciscaner pij begraven wilde worden, ik heb nooit geweten waarom. Hij stierf jong, dat vonden we vreselijk – hij was 54 – en toen hij in de open kist lag ben ik niet gaan kijken. In die hypnose kwam een verborgen stuk uit mijn verleden naar boven.’
‘Ik ben nu 76 en pas op mijn 45e kon ik mijn verleden een beetje doorgronden. Sindsdien ben ik met vallen en opstaan wel gegroeid. Ik heb alles zelf moeten bevechten. Daarom heb ik mijn kinderen na de scheiding de volle ruimte gegeven zich te ontwikkelen, omdat ik zelf die kans niet heb gehad. Twee belangrijke dingen die ik heb geleerd: laat je niet voor de gek houden – aan mensen die huichelen heb ik een bloedhekel – en ik heb het nodig om van iemand te kunnen houden. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.’

Verhalen uit het dossier Jeugdzorg Cie. de Winter