Ja broeder, nee broeder

In 1966 was ik twee jaar van internaat Bleijerheide, en ik was blij, heel blij. Ik was ontroerd, heel ontroerd. Ik voelde me vrij, nooit zo vrij. Ik was verliefd, iedere dag!

Ik ging naar bed, en ’s ochtend werk ik wakker van mijn eigen hart dat klopte als een roodborstje op mijn huid. Klop, klop, tik, tik Bertje je moet leven, dansen en naar feestjes, aldus sprak een stem heldere taal in mij. In het puin van het verleden liggen de parels van morgen, wordt gezegd… ‘hè,’ dacht ik, ‘hè,’ ik zie ze de parels in het heden, in het eeuwige nu waar geen ja zuster / nee zuster (ja broeder / nee broeder) aan te pas kwam. Hier in mijn overtuiging van die prille blik op het leven telde maar een ding, en dat is het leven. Het leven telt! Het nu telt. Het nu tikt. Het schrikkelmoment doet er toe! In 1966 werden wij allemaal sterrenstof, met een geloof in de liefde…all you need is love..dat werd een jaar later duidelijk. Ah! Ik had mijn geloof verloren in de oude Goden, maar toen in 1966 voelde ik een sprankje hoop, een beetje hoop meer op liefde dan ik ooit had kunnen vermoeden. Geloven, ik kon weer ergens in geloven!