Als je maar zweeg!

Bleijerheide 22 aug licht boven het avondland

In mijn eerste jaar op jongenspensionaat te Bleijerheide kwam ik boven op de slaapzaal bij de Franciscaanse broeder Jacobus en nadat Jacobus wegens seksueel misbruik werd overgeplaatst, kwam de Franciscaan, broeder Lebuinus. Midden in de nacht werd ik wakker en voelde een natte, kleffe kou in mijn rug. Ik klopte met mijn hand op het matras, voelde snel aan mijn pyjama, ‘oh jee ik heb in bed geplast’. Het was of ik iets verraden had of de pisgeur zich al door de kieren van de chambrette van de broeder was binnen gedrongen, zag ik hem aankomen en voor mijn bedje voorover gebogen keek mij strak aan.’ Kom, er maar uit’! Ik ging bedremmeld naast het bedje staan, zei niks en keek vanuit een ooghoek hoe de broeder  de lakens wegtrok, het matras checkte en zwaarder hoorde ademen. Ik keek om me heen of andere jongens wakker werden. Iedereen sliep, één diepe donkere rust scheen zich meester te hebben gemaakt over al die schreeuwende en voetballende klasgenootjes die zeker niet wakker moesten worden gemaakt. Het zou voor hoongelach en tot onnodige pesterijen hebben geleid, iets wat ik niet kon gebruiken als opvolger van mijn overleden vader. Een politie man in hart en nieren en verzetsheld. Ik moest trots, een grote jongen zijn, een waardige opvolger van mijn vader en ik kon me niet veroorloven om met een pis imago door mijn jonge leven te gaan. Ik zag het al voor me, jongens die hun neus dichtknepen wanneer ze voorbij liepen als teken dat je stonk, néé bij God, niemand mocht wakker worden terwijl de broeder plotseling aan mijn pyjama voelde, ‘ook nat, allemaal uitdoen in het douchelokaal’, en duwde me de slaapzaal uit. Gelukkig had de broeder me niet met mijn hoofd in de afgekoelde lakens geduwd zoals ze bij de Franciscanessen nonnen deden in Bunde. Zuster Ginnie geloof ik was haar naam maar wat betreft die periode heb ik alle moeite genomen om die te verdringen, op zijn Freudiaans, gewoon wegkrassen uit dat onwillige geheugen.

Bij de douches aangekomen, dat is wat ik mij herinner, verdween de broeder weer en maande me nog om me goed te wassen. Hij zou mijn bedje verschonen en terugkomen met handdoek en een schone pyjama. Ik liet het lauwe water over me heen spoelen, de zeep pakte ik van de stoel die buiten de douche stond, open en zichtbaar voor de broeder(s).  Broeder Lebuinus, ik zal zijn naam maar noemen, had als opvolger van Jacobus de taak om toezicht te houden op de jongetjes, en dát deed Lebuinus. Hij werd ‘de spion’ genoemd door sommige jongetjes omdat hij jongetjes lang observeerde en zwoele blikken toewierp. Anderen, vooral de ouderen noemden hem ‘de heilige’, dit laatste was een misleidend imago..Lebuinus was alles behalve heilig. Die avond heeft hij me afgedroogd terwijl ik klappertandend op de koude vloer stond en snel een droge pyjama aantrok. Ik had niet in de gaten dat deze broeder dit afdrogen als seksueel zag, seks bestond niet in mijn opvoeding, ik was heilig, een jonge held die zijn vader moest opvolgen..en die avond kroop ik snel in bed en vatte slaap….als je maar zweeg!