God stinkt

franciscaanse pijOnlangs had ik ontmoeting met een Bleijerheide genoot, het gesprek verliep vlot alleen wisselden wij drie maal (op mijn verzoek) van plek, we sleepten ons van een lawaaierig terras naar een nichterige chocolade / lounche koffie bar naar een open kantine ruimte waar je veel verkeer en de stad in al haar levendigheid kon aanschouwen. Er was een moment dat we over geuren spraken, de geuren op internaat, en het feit dat wij ons 1 x per week douchten. Wat hebben wij gestonken als jongens, rennen, voetballen, atletiek, toilet en dat één maal per week vier minuten onder de douche. ‘De broeders ook’ memoreerde ik, die moesten winters, hete zomers in dezelfde rotte, bruine, dikke pijen lopen. Je kon ze ruiken de broeders wanneer ze langs liepen, wanneer ze opgewonden waren, je sloegen of omarmden, met hun knokkels over je hoofd wreven dat voor een moment klem zat onder franciscaanse oksels. Het internaat had een eigen geur, de voetbalvelden lagen naast de varkensstallen, de sintelbaan naast de boomgaard, iedere weg kon je vinden op ‘haar’ geur. Je eigen slaapzaal kon je op de tast beoordelen: ‘Ah, hier wordt gemasturbeerd, dit moet in de leeftijd van veertien jaar zijn’! Broeder bakker kon met gesloten ogen altijd de juiste slaapzaal vinden. De geur van dikke houten balken, zoldervloeren, stoffige vertrekken waar dertig tot veertig kinderen sliepen, in bed zeikten en de boel onder kotsten als er weer iets verkeerdst in het eten zat. Ramen dicht om de geur de conserveren, voor eeuwig op te slaan in het Br Eligius kleine slaapzaalgeheugen, gaan slapen onder de vertrouwde dekens die alleen jouw geur vasthielden en Servatius met zijn gebroken slagers handen zaken kwam controleren of alles in de goede richting lag. Er gaat niets boven de geur van een geestelijke na zijn avondgebed, hij valt net als een getrouwde man / vrouw met een zalige glimlach in slaap tussen al die stinkende jonge bedplassers die zich ongewassen in de ochtend vermengden met wierook. Koffie en thee melange mengden zich in de kloostergangen terwijl de engelen zongen. God stonk ook, of beter zo kreeg God een geur, zeldzaam, slechts alleen te ervaren in het klooster.